Selectie (8)

Een korte repliek op het commentaar van prof.dr.ir. P. Eykhoff en Frits Bolkestein op mijn Duijker-lezing:1. Eykhoff acht motivatie van de student belangrijk voor het succes in de studie en vindt dat hierop, bijvoorbeeld door een interview of een essay-beoordeling, moet worden geselecteerd. Met het eerste ben ik het van harte eens. Studiemotivatie is cruciaal en laat vaak te wensen over. Echter, uit onderzoek blijkt dat het meestal gaat om het soort motivatie dat tijdens de studie ontstaat of verdwijnt en niet om een stabiele persoonlijkheidstrek, die bij de entree tot de universiteit gemeten kan worden, en zeker niet met invalide instrumenten als een essay of een intake-gesprek. Motivatie moet je aankweken en versterken door interessante en uitdagende studieprogramma's, strenge en consequente beoordelingen, beloning van inspanning en hard werken en door (wetenschappelijke of maatschappelijke) waardering van het diploma, maar niet door de toegankelijkheid van het WO te beperken.

2. Eykhoff's argument 'in het buitenland doen ze het ook' is niet sterk. In de eerste plaats zijn er, zoals ik probeerde duidelijk te maken, belangrijke argumenten waarom het in Nederland moeilijker is te selecteren (ons secundair onderwijs is selectiever dan in veel andere landen, en de groep VWO-abituriënten vertoont een geringere spreiding). In de tweede plaats gebeurt selectie in het buitenland, zoals uit onderzoek blijkt, ook vaak onverantwoord.

Dat men daar bijvoorbeeld gebruik maakt van inferieure methoden als het interview, is geen reden om dit in Nederland ook te doen.

3. Eykhoff introduceert als criterium voor toelating ook de 'behoeften van de samenleving', ofwel de arbeidsmarkt, zoals het geval is bij geneeskunde. Tussen haken zij opgemerkt dat bij geneeskunde de beperkingen in de opleidingscapaciteit het argument voor een numerus fixus vormen. Arbeidsmarktoverwegingen vormen een moeilijk punt in de discussie over opleidingsbeperkingen. Zoals uit een studie van het NIDI blijkt zijn arbeidsmarktproblemen voornamelijk demografisch bepaald. Het aantal afgestudeerden is op korte termijn (korter dan 10 à 15 jaar) nauwelijks te beïnvloeden. En op lange termijn zijn de voorspellingen van behoeften op de arbeidsmarkt zo onbetrouwbaar, dat daar geen peil op te trekken valt.

4. Het betoog van Bolkestein lijkt aantrekkelijk. Kort samengevat: Niet iedereen bezit evenveel studietalent. De universiteit en de wetenschap zijn er voor de besten, de knappe koppen. De laatste jaren worden te veel mensen toegelaten tot de universiteit, waardoor de kwaliteit van onderwijs en onderzoek daalt. We moeten (weer) durven te selecteren.

Bij nader inzien houdt de kritiek geen stand. Natuurlijk heeft hij gelijk met de stelling dat niet iedereen over dezelfde intelligentie en studietalenten beschikt, en dat niet iedereen tot de universiteit mag worden toegelaten. Maar dat gebeurt hier ook niet. Nederland heeft een selectief secundair onderwijssysteem, waardoor ongeveer hetzelfde percentage van de bevolking deelneemt aan het hoger onderwijs als in andere Europese landen, ook daar waar wel een ingangsselectie plaatsvindt (zie de vergelijkende analyse in het rapport van de VNSU-Commisie de Moor). En ik zie geen reden om in Nederland een sterke reductie van het aantal hoger opgeleiden te bepleiten, waardoor ons land in Europa aanzienlijk uit de pas zou gaan lopen.

Ook de visie van Bolkestein dat massaliteit en nivellering heeft geleid tot sterk kwaliteitsverlies behoeft nuancering. In de eerste plaats is het moeilijk vast te stellen of de kwaliteit van het universitair onderwijs stijgt of daalt. Er zijn geen objectieve indicaties voor. Subjectieve impressies, al of niet versterkt door gevoelens van vroeger (lees: toen ik nog studeerde) -was-het-allemaal-veel-beter, leiden al gauw tot stoere stamtafel-uitspraken. In ieder geval wordt het Nederlandse onderwijs en onderzoek door visitatiecommissies, veelal samengesteld uit buitenlandse experts, over het algemeen als behoorlijk tot zeer goed beoordeeld. Er wordt in ons land, door die experts, een flink aantal internationale toppers geïndentificeerd. De onderwijsrendementen stijgen significant en de Nederlandse onderzoeks-output is de laatste tien/vijftien jaar verdubbeld.

Natuurlijk is het zo dat bij een grotere deelname aan het universitair onderwijs absoluut gezien ook een groter aantal 'subtoppers' en minder geschikten worden toegelaten. Maar als men bijvoorbeeld ziet welk talent (kwantitatief en kwalitatief) in Nederland wordt aangemeld voor topprogamma's als de Pioneer- en Spinoza-stipendia van NWO of het programma Akademie-onderzoekers, dan lijkt er voor pessimisme over het niveau van de wetenschap in Nederland geen plaats. Bovendien, we hebben nu eenmaal een eerste en eredivisie vol voetballers nodig om een enkele Van Basten of Rijkaard voort te brengen.

5. Wel wil ik het pleidooi voor een aanscherping van de VWO-eisen voor universitaire studies onderschrijven. Het is te gek dat je Europese studies kunt volgen zonder Frans gehad te hebben, geneeskunde zonder scheikunde, psychologie zonder wiskunde, of godgeleerdheid zonder Grieks. Deze aanscherping zou ook de door Eykhoff en Bolkestein gewenste inspannings- en prestatiegerichtheid van het secundair onderwijs weer doen toenemen. Een goede zaak. Het argument is hier echter onderwijskundig van aard (voldoende voorbereiding en aansluiting), en niet gericht op selectie als zodanig.

6. De redenering van Bolkestein dat door selectie zowel de spreiding in de predictor (eindexamencijfers) als die in het criterium (studiesucces) zou toenemen, klopt niet. Bij een dichotomie (slagen-zakken) heeft men de meeste spreiding bij een 50-50 verdeling. Die ligt bij studiesucces thans ongeveer bij de 60-40. Dat scheelt dus niet zoveel. Bij een variabele (bv. gemiddeld tentamencijfer) maakt het al helemaal niet uit waar de caesuur wordt aangebracht. Maar deze en andere statistische overwegingen terzijde latend, waarom een grotere studie-inspanning met het oog op selectie zou leiden tot een grotere spreiding en niet slechts tot een verhoging van het gemiddelde of juist (bijvoorbeeld door 'ceiling effecten') tot een sterkere homogenisering van de studentengroep blijft onduidelijk.

7. De paar studies die Bolkestein noemt, waaruit wel enig voorspellend vermogen voor eindexamencijfers blijkt, vallen onder wat ik genoemd heb 'incidentele successen'. Overigens zullen de correlaties ook in die gevallen niet boven de .50 komen; het getal dat ik in mijn voorbeeld in de Duijker-lezing heb genoemd. Dan blijven de vragen die ik stelde gelden: Is het verantwoord om met het oog op een rendementsverhoging van 20% (van 60 naar 80%) zo'n 60%, dus meer dan de helft, van de zich aanmeldende studenten af te wijzen, waarvan dan ook nog eens bijna de helft ten onrechte?

En, waar moeten we met die studenten heen?

Het gaat echter niet om predictie-succes in enkele incidentele gevallen.

Het gaat om de vraag of op grote schaal en voor het hele WO met voldoende zekerheid het studiesucces uit eindexamencijfers VWO of andere gegevens kan worden voorspeld. Op grond van de beschikbare onderzoeksgegevens moet dat antwoord negatief luiden. Voorspellen met behulp van niet valide voorspellers gaat lijken op 'random' kiezen of loten. Dat was toch uit den boze?