Plezier om Pop Art ondanks een hap-snap verzamelbeleid

Pop Art. Topstukken uit de 'Collectie Nederland'. T/m 12/11. Kunsthal Rotterdam, Westzeedijk 341. Geopend: di t/m za 10-17, zo 11-17 uur, Catalogus ƒ 29,95.

Ruim dertig jaar geleden, in 1964, beleefde Nederland een invasie van pop art. Het Stedelijk Museum Amsterdam organiseerde een tentoonstellling over Amerikaanse pop art en het Haags Gemeentemuseum besteedde uitgebreid aandacht aan de Euro-pop, het Nouveau Réalisme.

Als reactie op de hooggestemde abstract-expressionistische tendenzen in de schilderkunst van de jaren vijftig gingen jonge beeldende kunstenaars omstreeks 1960 fragmenten uit het dagelijkse leven integreren in hun werk.

In het Stedelijk betekende de pop art-expositie het startsein voor een gericht verzamelbeleid, op enige afstand gevolgd door Museum Boymans-van Beuningen en het Van Abbemuseum. In de collectie van het Haags Gemeentemuseum lieten de Nieuwe Realisten daarentegen in het geheel geen sporen na.

Persoonlijke voorkeuren en de hoogte van het budget bepaalden het aankoopbeleid van de musea - wat overlappingen overigens niet uitsloot.

De pop art-tentoonstelling in de Rotterdamse Kunsthal - een initiatief van Museum Boymans - geeft een overzicht van wat in de Nederlandse musea werd verzameld. Deze 'Collectie Nederland' - een begrip dat indertijd door mininster d'Ancona werd geïntroduceerd om de musea aan te zetten tot meer overleg en specialisatie - omvat ongeveer honderdvijftig werken, aangevuld met enkele bruiklenen van particulieren.

Pop art, zo blijkt in Rotterdam, is nog steeds aantrekkelijk voor het publiek. Op zondagmiddag stond er voor de Beanery, het duistere caféetje van de Amerikaan Edward Kienholz, een rij bezoekers en ook de accumulaties van brilletjes en koffiepotten van de Fransman Arman wekten verbazing.

De theatrale inrichting van de tentoonstelling met een monumentale trap die tot de volgende verdieping reikt, mist zijn effect niet.

Op de trap komen de gipsen figuren van George Segal goed tot hun recht. Een wit paartje omhelst elkaar in een trappenhuis en vanachter de vitrages staart een meisje weemoedig naar buiten. Bovenaan de trap volgt door de spiegelbeelden van Michelangelo Pistoletto een confrontatie met jezelf als museumbezoeker.

Op één van de vier spiegels van Pistoletto zijn vertrouwde groene kamerplanten gezeefdrukt, op een ander hangt achter een raster een waarschuwingsbordje met doodskop: Pericolo di Morte.

De indeling van de werken is overzichtelijk. De ene kant van de zaal is gereserveerd voor de Franse Nouveaux Réalistes en de Nederlandse pop. In Nederland is de nieuwe stroming destijds vooral aangeslagen bij Rotterdammers als Daan van Golden, Woody van Amen en Jacob Zekveld. Aan de andere kant van de zaal hangen voornamelijk Britse kunstenaars. De ruimte daartussen is bezet door Amerikanen als Warhol, Oldenburg, Lichtenstein, Dine en Rosenquist. Voor de trouwe museumbezoeker is het een feest der herkenning: de neon-lippen en het rode hart met verlichte pijl van Martial Raysse, de vrolijk beschilderde figuren van Niki de Saint Phalle, de hooggehakte damesbenen van Joe Tilson, de grappige houten auto met vier inzittenden van Marisol en de absurde assemblages van Wim T. Schippers.

De verrassingen zijn vooral afkomstig uit privé-verzamelingen zoals een uitstalkast met smakelijke vleeswaren van beschilderd gips van Claes Oldenburg en een doek van Peter Blake (1962) uit de collectie van de Rotterdamse Delta-galeriehouder Hans Sonnenberg. Blake schilderde een toreador in een kostuum dat gedeeltelijk echt is geborduurd: Een Berend Strik avant la lettre.

Maar er treden ook hiaten aan het licht: vroege schilderijen van David Hockney ontbreken en van Richard Hamilton bezitten de musea uitsluitend grafiek.

Toch is er ook het een en ander op de tentoonstelling aan te merken. In de eerste plaats zijn de belangrijkste werken uit het Stedelijk door de onverwachte verlenging van een tentoonstelling in het Castello di Rivoli in Turijn pas eind mei beschikbaar.

Voorlopig zijn Rauschenberg en Johns dus afwezig en moet men het stellen zonder de Large Flowers van Warhol en Lichtensteins monumentale drieluik As I opened fire..., dat nota bene op de affiches van de tentoonstelling staat afgebeeld.

Verder blijkt de korte voorbereidingstijd, waarvan de catalogus spreekt, voor de nodige slordigheden te hebben gezorgd. Bij de prenten die aan de tentoonstelling zijn toegevoegd, hangen geen titelkaartjes.

Verder wordt in de catalogus wel gesignaleerd dat musea vaak gelijktijdig dezelfde soort werken aankochten, maar ontbreken de jaren van aankoop.

Deze 'doublures' roepen overigens vragen op over de wijze waarop de afgelopen decennia door de Nederlandse musea verzameld is. Zo werden er bijvoorbeeld in 1970-71 door zowel het Stedelijk, als Boymans en het Van Abbe vergelijkbare 'inpak' werken van Christo verworven.

De oorzaak is waarschijnlijk de intensieve fundraising-campagne die de kunstenaar toen ondernam om zijn grootschalige project Valley Curtain te financieren (in een bestandscatalogus van Museum Boymans is de toelichting opgenomen: 'als sponsor Valley Curtain Project').

Het probleem dat hier rijst - kopen de Nederlandse musea niet te veel van hetzelfde? - treedt pas de laatste tijd, met de toegenomen ambities van deze instellingen, sterk op de voorgrond. De 'Collectie Nederland' is bedoeld in dat naar eenzijdigheid neigende museumaanbod de nodige specialisaties aan te brengen.

Op de huidige tentoonstelling blijkt dat er in de jaren zestig wel degelijk sprake was van specialisaties: alleen het Stedelijk bezit een breed, afgerond ensemble pop art, Museum Boymans concentreerde zich op Engelse en Rotterdamse pop-kunstenaars. Daarom is het ook jammer dat de hoogtepunten uit deze deelcollectie van het Stedelijk voorlopig nog ontbreken.

Maar dit overzicht onthult ook wat er zonder museumoverleg gebeurt: het hap-snap collectioneren van Christo's. De bezoekers van de Kunsthal laten zich desondanks hun plezier niet bederven.

'Tòch mooi om het allemaal zo eens bij elkaar te zien!', aldus een van hen.