Opgefokt

Het is eindelijk lente. De klas zwoegt. Proefwerkweek. De ramen staan open. Ik kijk uit op een bijna leeg schoolplein waar hier en daar de krentebloesem bijna bloeit. Vier knullen staan luidruchtig te praten, met gelach en wat geroep. Het hindert de zwoegende leerlingen en het hindert dus mij. De jonge heren weten toch wel? Natuurlijk, iedereen op deze school weet dat zeker tijdens de proefwerkweek... Vijf of zes atheneum. Nou ja, laat maar.

Weer een schreeuw. Ik sta op, loop naar het raam, fluit hard en schril. Het geluid echoot tussen de schoolmuren. Geen reactie. Dan met m'n stentorstem, speciaal ontwikkeld voor educatief ongenoegen: “Ga eens wandelen”. Antwoord: “Doe het raam maar dicht.” Het viertal blijft staan en praat zacht door.

Leraar boos. Hier zit ik en ik kan niet anders. Het is een doodzonde in het onderwijs als surveillant weg te lopen bij een klas die een proefwerk maakt. Surveilleren kan werken als reiniging van de geest. Maar nu krijg ik last van adrenaline. Ik bezin mij op wraak, op het uitoefenen van het recht van de sterkste, op de machtsverhoudingen tussen verstandige volwassene en recalcitrante adolescent. Tien minuten later jaagt de concierge ze weg. Eén van de heren staart me, het lokaal passerend dromerig aan.

Na het proefwerk kom ik nog steeds belust op genoegdoening een van de vier tegen in de gang, houd hem staande en scheld hem uit. “Nee, houd je mond, ik heb geen belangstelling voor je commentaar. “Ja, dat is wel slim van u om dat te zeggen.” Leraar weer boos. Even later staan we bij de conrector die al duizenden varkens gewassen heeft. Ben ik opgefokt of die knul, vraag ik mezelf in de auto. Ik ken de knul, had hem twee jaar geleden. Zo iemand die vriendelijk is, tot hij besluit niet meer vriendelijk te zijn.

Dagen later, nog voor half negen, proefwerkweek. Surveillance Nederlands in 2c, niet van mij, dus wildvreemde kinderen. Als ik binnenstap, zit een meisje midden in de klas te praten tegen iedereen rondom haar, vijfentwintig personen.

Nee, ze schreeuwt. Niemand luistert. Men is het gewend. Veertien jaar en nu al teveel mascara en aan de gelaatskleur te zien hoge bloeddruk. “Opa komt oppassen,” grijnst een knul, een oud kind of een oud-kind. Het is hier niet leuk. De herrie blijft hangen, ook als ik het werk uitdeel. Deze kinderen zijn opgefokt, en niet alleen omdat ze een proefwerk moeten maken.

Opgefokt. Is alleen het woord nieuw, of ook de conditie? Ik weet geen synoniem in fatsoenlijk Nederlands. Het is het tegendeel van goed-in-je-vel-zitten. Velen in Nederland in deze negentiger jaren, kinderen ook, zijn opgefokt en zitten niet goed in hun vel. Het lijkt alsof een inwendig uurwerk van slag is, alsof de balans zoek is, alsof van de persoon een stuk is verdwenen, een stuk vervangen door wezensvreemd gedrag. Er staat “in Nederland”. Het lijkt op vakantie of elders mensen normaal en evenwichtig zijn, alsof deze geestelijke conditie daar niet zo heerst als in onze overbevolkte overkokende economie.

Het surveilleren in 2c levert niet de ontspanning, vruchtbare bodem voor krantestukjes. Ik bekijk het proefwerk dat de kinderen voor me maken. Het is een Nederlandse tekst, een artikel uit de jongerenkrant “Primeur” met daarover tien vragen. De titel: Jongeren hebben meer rechten dan ze vaak denken. Hoezo opgefokt?