Omroepbladenbestel in gevarenzone

AMSTERDAM, 13 APRIL. Omroepen mogen hun exclusieve rechten op programmagegevens niet misbruiken om concurrerende omroepgidsen uit de markt te weren. Dit blijkt uit de langverwachte einduitspraak van het Hof van justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak van de Ierse uitgever Magill tegen de BBC, de Ierse omroep RTE en het Britse commerciële net ITN. Deze zaak is in Nederland met argusogen gevolgd, omdat hij het eind zou kunnen betekenen van het zogeheten omroepbladenbestel, de machtspositie van de gezamelijke omroepen op het gebied van programma-overzichten.

De NOS heeft steeds gezegd dat de situatie in Groot-Brittannië en Ierland niet te vergelijken is met die in Nederland. In het geval van de Krant op Zondag hebben twee Nederlandse rechters in 1992 reeds een beroep op het Europese recht afgewezen. De Rotterdamse advocaat J.J. Feenstra, die de Magill-zaak speciaal heeft gevolgd, vindt dat het Europese Hof op een aantal juridische punten kort door de bocht is gegaan. Dat zou wel eens politieke betekenis kunnen hebben. Volgens de Financial Times spreken advocaten in Brussel reeds van een keerpunt. Het is de eerste maal dat het recht op vrije mededinging van het Europese Hof voorrang krijgt boven het nationale auteursrecht. Dit kan ook grote gevolgen hebben voor de computerbranche of de faramceutische industrie, waar dominante marktposities nogal eens worden verdedigd met behulp van exclusieve informatie.

De kleine uitgever Magill had een klacht bij de Europese Commissie in Brussel ingediend tegen de weigering van de drie omroepen om de basisgegevens ter beschikking te stellen die hij nodig had om een gecombineerde omroepgids voor de regio op de markt te brengen. Daaraan was behoefte bij de consumenten, want de drie omroepen brachten alleen gidsen voor de eigen programma's uit. Wel verstrekten zij gegevens aan de dagbladpers voor beperkte dagoverzichten, maar een gecombineerde weekgids was een gat in de markt.

De situatie is inmiddels drastisch veranderd, doordat zowel Ierland als het Verenigd Koninkrijk de toegang tot programmagegevens aanzienlijk heeft verruimd. Maar daar had Magill indertijd weinig aan; het geplande blad kwam niet van de grond. De Europese Commissie gaf hem in 1988 gelijk en dit werd in 1991 bevestigd door het Gerecht van eerste instantie van de Europese Gemeenschap. Dit oordeel is nu op zijn beurt integraal bevestigd door het Europese Hof. Het nam daarmee afstand van zijn advocaat-generaal Gulmann, die had betoogd dat het recht van vrije mededinging in dit geval geen voorrang diende te hebben boven het auteursrecht. Het consumentenbelang noemde hij ondergeschikt aan de vrije beschikkingsmacht van de omroepen over hun programmagegevens.

Volgens Gulmann zou er alleen reden tot ingrijpen zijn als de auteursrechthebbende zijn positie gebruikt om een niet direct concurrerend produkt van de markt te weren. Maar het Hof zegt nu dat er wel degelijk ook reden kan zijn de uitoefening van het auteursrecht te matigen als het wordt ingezet tegen directe concurrenten. Dat de BBC, ITN en RTE de gegevens, waarover zij uit hoofde van hun omroepactiviteit beschikken, hebben gebruikt om de afgeleide markt voor omroepbladen geheel voor zichzelf te reserveren, vormde misbruik van een dominante marktpositie en is daardoor in strijd met het EG-recht.

Het Europese Hof maakt dus een scheiding tussen de eigenlijke omroeptaak en uitgeversactiviteiten. De Nederlandse Mediawet doet precies het omgekeerde. Zij geeft de publieke omroepen juist een exclusief recht op de programmagegevens om de omroepbladen te beschermen die de leden moet trekken die weer van belang zijn voor de zendtijdtoewijzing (en die een niet te versmaden inkomstenbron vormen). Het uitbrengen van een wekelijkse kleurenbijlage door de Krant op Zondag in 1992 werd door de president van de Amsterdamse rechtbank verboden als “een principiële doorbraak van het huidige omroepbestel”.

De voorzitter van het College van beroep voor het bedrijfsleven voegde daar in een tweede procedure nog aan toe dat de Krant op Zondag niet was te vergelijken met Magill. In Nederland bestaan er immers integrale programma-weekbladen, de gidsen van de omroeporganisaties. De Nederlandse omroepen maken deze markt niet onmogelijk, zoals het Anglo-Ierse trio, maar verdelen hem alleen maar onderling. De juridisch adviseur van de omroep, B. Geersing, stelde - na de uitspraak van de Commissie in de Magill-zaak - dat het “vast staat dat de Europese Commissie de Nederlandse wettelijke regeling van programmagegevens accepteert”. Iedere gedachte dat het wel eens minder eenvoudig zou kunnen liggen, deed Geersing af met de korzelige kwalificatie “modernistisch gekeutel”. Het Nederlandse omroepbladenbestel verkeert wel degelijk in de gevarenzone, als we mogen afgaan op een intrigerende opmerking van de Europese Commissie in de Magill-zaak. Stel dat de drie omroepen hadden besloten een gezamelijk programmablad uit te brengen en op die grond de gegevens aan anderen weigerden? Dan zou het verwijt dat zij de consument een vurig gewenst nieuw produkt onthielden, niet opgaan. Toch verklaarde de Europese Commissie dat zij in dat geval ook zeker actie zou hebben ondernomen. De exclusieve exploitatie van de programmagegevens zou dan volgens haar een verboden vorm van discriminatie opleveren tegenover derden die ook een omroepgids willen uitgeven. Dat is precies het probleem in Nederland. Ook hier is het volstrekt ongeloofwaardig dat onafhankelijke uitgevers van programmabladen een belemmering zouden vormen voor de publieke taak van de omroepen als zendgemachtigde.