Koloniale diefstal

De nostalgie is niet meer wat zij geweest is, althans volgens Simone Signoret die een paar jaar geleden een succesvol boek onder deze titel liet verschijnen. In Nederland valt dat nogal mee. Er bestaat hier nog heel wat nostalgie en daar wordt vaak op fraaie wijze uiting aan gegeven. Zelfs de tot voor kort zo gesmade jaren vijftig roepen tegenwoordig nostalgische gevoelens op. Ook het koloniale verleden is voor velen een bron van nostalgie. De grootmeester in dit genre is ongetwijfeld Rudy Kousbroek. Zijn beschouwingen over en herinneringen aan zijn jeugd in Indië zijn doortrokken van een aangrijpende nostalgie. Het thema van de jeugd als het verloren paradijs is natuurlijk universeel, maar het krijgt hier door het fysieke verlies van de wereld van die jeugd een bijzondere dimensie.

De glorie en vreugde van Indische jeugd- en kinderjaren vormen overigens geen nieuw onderwerp. Ik herinner mij tal van jeugd- en jongensboeken waarin zo'n Indische jeugd werd beschreven en bezongen. Het was er altijd mooi weer. Je speelde altijd buiten. Er was ruimte genoeg en je werd omgeven door een exuberante en geheimzinnige natuur: Indië als paradijs. Menige Hollandse stadsjongen zal waarschijnlijk, net als ik, wel enige moeite hebben gehad om dit helemaal te kunnen meevoelen. Persoonlijk vond ik die natuur nogal griezelig, niet zozeer vanwege de incidentele tijger of andere roofdieren, want die waren even zeldzaam als spannend, maar vanwege de vele kleine beestjes die vast geen kwaad deden maar wel altijd en overal, zo leek het, zoemden en snorden, klikten en piepten, ruisten en ritselden. In zekere zin is de moderne evocatie van die jeugdherinneringen een voortzetting van deze traditie. Maar wat er iets diep nostalgisch aan geeft, is het besef dat dit alles voorgoed voorbij is, niet alleen die jeugdjaren zelf, maar ook het land waar die jeugd werd doorgebracht, Nederlands Indië.

Die thans bijna onbegrijpelijke woorden, Nederlands Indië, roepen niet alleen nostalgie op, maar ook een probleem. Dat probleem komt voort uit het besef dat dat paradijs niet van 'ons' was, maar van anderen. Indië was immers een kolonie. De Nederlanders hadden daar naar modern inzicht niets te zoeken. Het land was van de Indonesiërs. Maar de Nederlanders waren er toch en ze waren er ook nog de baas. Daar helpt geen moedertjelief aan en daar ligt dus een probleem. De doorsnee tempo doeloe-minnaar gaat hier eenvoudig aan voorbij maar Kousbroek niet. Hij is niet alleen gevoelig, maar ook intelligent en bereid om dit probleem onder ogen te zien. Zo laat hij in de prachtige documentaire Het meer der herinnering vol weemoed beelden uit die tijd zien, maar hij aarzelt tegelijkertijd ook niet om in een beschouwing naar aanleiding hiervan het kolonialisme eenvoudig als 'kolossale diefstal' aan te duiden.

Diefstal, de term ligt voor de hand. In het beroemdste boek over ons koloniale verleden, Multatuli's Max Havelaar wordt immers al over Nederland als een 'roofstaat' geschreven. Hierbij vergeleken is het woord diefstal nog zwak. Toch is het moeilijk het idee van kolonialisme als simpele, ja kolossale diefstal te rijmen met wat wij in die documentaire zien. Diefstal veronderstelt immers dieven en die dieven moeten in dit geval dan wel de koloniale exploitanten zijn geweest, de eigenaren, directeuren en personeelsleden van de cultuurmaatschappijen. Maar de vader van Kousbroek, een 'planter' zullen wij maar zeggen, komt in deze film nu juist naar voren als een bijzonder aardige, beschaafde en erudiete man, die lief was voor zijn kinderen en vriendelijk voor zijn personeel. Was hij wellicht de uitzondering die de regel bevestigt? Het kan zijn - en het wordt enigszins gesuggereerd - maar heel waarschijnlijk is het niet.

Maar het gaat natuurlijk niet om de vraag of de kolonialen aardig of akelig waren. Er bestaan immers ook heel aardige en beschaafde rovers en moordenaars. Het gaat voor een historisch oordeel niet om hoe de mensen waren maar om wat ze deden, niet om hun subjectieve maar om hun objectieve rol. Lenin en Stalin hadden ook niets tegen de kapitalisten en de koelakken als mensen, maar wel als klasse. Ook zo gezien echter valt het concept diefstal moeilijk te rijmen met wat we in die documentaire zien. De activiteiten van die planters lijken immers nog het meest op wat we tegenwoordig ontwikkelingsprojecten noemen. Het woud wordt omgetoverd in plantages of, om het in de termen van die tijd te zeggen, de woeste gronden worden ontgonnen. Nog anders gezegd: de economische produktiviteit neemt toe.

Hierbij waren en zijn vier factoren in het geding: grond, arbeid, kapitaal en techniek. De eerste twee waren ter plaatse aanwezig, de twee overige kwamen van buiten. Door de groei van de produktiviteit steeg de welvaart van alle betrokkenen. Dat blijkt ook uit de film. Natuurlijk waren er kolossale verschillen in inkomen en werd de groei van de welvaart oneerlijk, onrechtvaardig en eenzijdig verdeeld. Maar kun je een onrechtvaardige verdeling van economische groei simpelweg aanduiden als diefstal? Als de welvaart in een gebied stijgt door een ontwikkelingsproject en niet alleen de bevolking maar ook de ontwikkelingswerkers en het Nederlandse bedrijfsleven daaraan verdienen, is dat dan diefstal?

Waar het om gaat, is dat het belang van de bevolking voorop moet staan. Onder het koloniale stelsel was dat beslist niet het geval. Maar was dat daarvóór wel zo? Ging het de rajahs en regenten om het welzijn van hun onderdanen? Natuurlijk niet. Is dat nu wel het geval? De sultan van Brunei, zo lezen wij vaak, is de rijkste man van de wereld. Dat komt niet door zijn arbeid, inspanning of vernuft, maar door de olie in 'zijn' grond. De emir van Koeweit en de koninklijke familie van Saoedi-Arabië mogen er ook zijn. Zij danken hun rijkdommen aan de olie die de oliemaatschappijen uit de grond halen. Die doen dat ongetwijfeld ten eigen bate. Maar zonder hun werk zou er helemaal geen welvaartstijging zijn. Zonder die sultans en emirs wel. Zijn Shell en Esso desalniettemin de dieven en de sultans en emirs niet? Het valt moeilijk dit in te zien.

De koloniale cultuurondernemingen waren vreemdelingen, zoals de multinationals dat nu zijn. De emirs en de rajah's waren en zijn inheems. De laatsten hebben dus naar hedendaags nationalistisch inzicht meer rechten dan de eersten. Maar wie niet gelooft in het devies 'eigen vorst eerst' zal niet gauw tot de conclusie komen dat de vreemdelingen per definitie slechter zijn dan de inheemse heersers.