Klappen uitdelen

Eieren, daaraan valt niet te ontkomen. Carola Boonen en Ceciel van Heugten van het Strabrecht College in Geldrop stuurden een verslag van een open onderzoek natuurkunde naar de 'Energieoverdracht tijdens het koken van eieren'. Misschien kan ons onderzoek de Alledaagse Wetenschap een kleine stap voorwaarts helpen, schrijven de vwo-leerlingen.

Het verslag geef antwoord op vragen die tot dusver niet bij de AW-redactie waren opgekomen: of het mogelijk is de warmtecapaciteit van kippeëieren te bepalen terwijl die gekookt worden. Of het stollen van eiwit en eigeel veel energie kost en of de warmteoverdracht van hete stoom naar eieren even goed is als die van even heet water.

De laatste vraag heeft te maken met de intrigerende methode die Geldrop koos voor de aanpak van het hoofdprobleem: het meten van de warmtecapaciteit van eieren. Center piece van de Geldropse proef was een elektrische eierkoker van Philips die eieren met behulp van stoom tot gaarheid brengt. In functie is de koker een vrijwel gesloten container met onderin een laagje water dat elektrisch wordt verhit. Boven het water is, bij het type HD 4351 W, plaats voor maximaal zeven eieren. Een eierloze container die met 100 milliliter water op vol vermogen wordt gezet, zal dat water in ongeveer 17 minuten geheel verdampen (en door een kleine opening de buitenlucht in blazen). Geladen met zeven koude eieren en dezelfde hoeveelheid water kan het wel zes minuten langer duren. De stoom condenseert op de koude eieren en druppelt als water terug.

Wie erover nadenkt kan instemmen met de conclusie dat uit het verschil in snelheid waarmee het water indampt in een eiloze en eihoudende container de warmtecapaciteit van de eieren kan worden afgeleid. Dat is te zeggen: de AW-redactie stemt er tot nader order mee in. Een probleem is namelijk dat Geldrop tot een waarde komt voor de soortelijke warmte (2,9 joule per gram per graad) die niet overeenstemt met hetgeen op goede gronden verwacht mocht worden (minstens 3,6). Mede op grond van een analyse van het verloop in de tijd van het waterverlies concluderen de onderzoekers dat het stollen van eiwit en eigeel geen energie kost. De AW-redactie, meer ouderwetse calorimetertypes, vindt dat de conclusie moet zijn dat bij het stollen van wit en geel veel energie vrijkomt.

Ander einieuws kwam uit Middelburg. Lezer C.W.T. abonneerde zich in de jaren veertig op het Engelse maandblad 'Punch' en las daarin dat uit het nest vallende eieren die op gras terecht komen altijd heel blijven. 'Dat moest geprobeerd worden', schrijft T., 'en zowaar, net als in Punch bleef het rauwe kippeëi heel! Vanaf 10 cm, vanaf een halve meter, van manshoog en verder. En dat op een gewoon, redelijk netjes geschoren gazongras van een wat armelijke duinzandkwaliteit. We bereikten het raam van de eerste verdieping en zelfs het zolderraam. Bij latere pogingen bleek het zelfs te lukken vanaf het dak van een flatgebouw van een laag of vijf.'

De lezer beschrijft hoe men eenmaal besloot een ei dat vanaf het dak van een flat werd geworpen te vangen, en hoe het kapot spatte alsof het op kiezel, grind of tegels terecht kwam. De vraag is natuurlijk: hoe kan dat, bereikt een ei in vrije val al na een paar meter zijn eindsnelheid, zodat de hoogte er eigenlijk helemaal niet toe doet? Wat doet het gras?

Het AW-centrum is geheel door beton, asfalt en drabbige sloten omgeven, maar vanaf een andere locatie zijn deze week wat rauwe eieren op belendende gazons geworpen. Het werd, zelfs met een verrekijker, niet helemaal duidelijk wat de eieren daarbij overkwam, maar in een enkel geval leek toch wat struif te glanzen. Het veldwerk gaat door en deze week is ook het laboratoriumonderzoek naar de dynamische belasting van kippeëieren op gang gekomen. Al lang is de AW-redactie geboeid door de vraag op welke plaats een ei een onverhoedse klap met een eierlepeltje het beste opvangt: op zijn stompe of op zijn spitse punt en of er veel verschil zit in het incasseringsvermogen van een rauw ei of een hard gekookt ei. De wildste verhalen doen de ronde, maar nooit iemand die aan een objectivering van de verschijnselen begint. Daarom is uit imitatie-Meccano een instrumentje gebouwd dat standaardtikken tegen eieren kan geven. In essentie een hamertje dat met een reproduceerbare snelheid op een ei valt. Ten koste van een twintigtal eieren werd het apparaat zo afgesteld dat het in ruwweg de helft van de gevallen een 'breuk' toebracht, vooral af te leiden uit het typische geluid dat daarbij ontstaat (en meestal nauwelijks te zien).

Daarna is aan 30 eieren een standaardklap uitgedeeld: één op de stompe en één op de spitse punt en twee op de flanken. Zowel bij rauwe als bij hard gekookte eieren. De resultaten waren opmerkelijk. Van een significant verschil in breuksterkte tussen rauwe en hardgekookte eieren was geen sprake en stompe en spitse kanten bleken even gevoelig voor de TECC-tik. Het meest tot de verbazing sprak de waarneming dat de klappen uitstekend door de eiflanken werden opgevangen. Slechts bij uitzondering wist het hamertje daarin wat barsten te slaan. Wat zou het pluimveeonderzoekbedrijf 'Het Spelderholt' in Beekbergen hiervan vinden?

Ing. A. Oosterwoud raakt niet uit zijn evenwicht. Op een statische belasting (een stift waarop geleidelijk steeds meer massa wordt geplaatst) reageren eieren inderdaad anders: die verdragen ze het best op de punten, de spitse punt (kleinste kromtestraal) voorop. Maar dynamische belastingen - die voor de praktijk veel relevanter zijn - worden niet onderzocht omdat ze zo moeilijk te reproduceren zijn. Veel hangt af van de vorm van het hamertje en de snelheid waarmee-ie arriveert. En wat het (ontbreken van) een verschil tussen rauw en hardgekookt betreft: dat kan best kloppen. Maar schaalbreuk van gekookte eieren wordt niet onderzocht omdat het voor de branche niet van belang is. We stellen vast: dit is onontgonnen terrein.