Israel buit zijn machtspositie uit

Het vredesproces in Israel is nog altijd meer proces dan vrede. Volgens Mouin Rabbani wordt het belangrijkste thema, het Palestijnse recht op zelfbeschikking, hardnekkig doodgezwegen. Zolang dit voortduurt heeft de vrede geen kans.

Een van de hardnekkigste mythen rond het Arabisch-Israelische conflict is dat het de moderne uiting is van een oude en in wezen onoplosbare tribale ruzie tussen joden en Arabieren. Dit is niet het geval. Het Arabisch-Israelische conflict is van relatief recente origine en het is een politieke strijd rond nationale rechten en betwist gebied - met andere woorden: het heeft concrete oorzaken en vereist daarom concrete oplossingen.

Dit gegeven kreeg pas erkenning na de 'historische handdruk' in het Witte Huis van 13 september 1993. Maar de commentatoren wisselden bij die gelegenheid de ene mythe grif in voor een andere: dat de Israeliërs en de Palestijnen eindelijk de vrede hadden bereikt waarnaar zovelen zo lang hadden verlangd. Bijna algemeen werd de Principeverklaring over Voorlopige Zelfbestuursafspraken uit 1993 gepresenteerd als een volledig vredesverdrag, waarvan nog slechts luttele details moesten worden uitgewerkt. Het is sterk de vraag of vreedzame coëxistentie tussen Israeliërs en Palestijnen werkelijk voort kan komen uit deze verklaring. Om hierachter te komen is het zinvol te kijken naar de algemeen aanvaarde eisen voor een rechtvaardige en duurzame oplossing van het Israelisch-Palestijnse conflict, en de Principeverklaring hieraan te toetsen.

In de terzake doende internationale documenten en resoluties worden de Israeliërs en Palestijnen in de eerste plaats opgeroepen elkaar niet te vernietigen en te werken aan een doelmatig compromis waarin beiden het recht op een waardig nationaal bestaan wordt gegarandeerd. Hiermee wordt de Palestijnse droom van het terugdraaien van de klok naar de jaren vóór de zionistische kolonisatie van Palestina afgedaan als niet realistisch en, gezien de huidige werkelijkheid, onrechtvaardig. Op soortgelijke wijze wordt de zionistische ambitie veroordeeld een etnisch zuivere joodse staat te scheppen in heel het historische Palestina en enkele aangrenzende gebieden. De Palestijnen en Israeliërs moeten dus ofwel accepteren als gelijken samen te leven, ofwel - als dat onmogelijk blijkt te zijn - die gelijkheid in afzondering bereiken.

Onder de principes van een duurzame regeling vallen verder: de beëindiging van de Israelische militaire bezetting van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook en de vestiging van een onafhankelijke Palestijnse staat op dit hele gebied; de ontmanteling van de Israelische nederzettingen; een oplossing voor het nijpende lot van miljoenen Palestijnse vluchtelingen overeenkomstig de relevante VN-resoluties; de wederzijdse beëindiging van het geweld. Met andere woorden: beide partijen in het conflict bezitten onvervreemdbare rechten waarover niet kan worden onderhandeld, maar moeten tezelfdertijd de rechten die de internationale gemeenschap de andere partij heeft toebedeeld, in goed vertrouwen erkennen en verdedigen.

Als we in het licht van het bovenstaande naar de Principeverklaring kijken, is het opvallendste aspect, ironisch genoeg, de afwezigheid van principes. Het geeft een aanzet tot een proces en een tijdpad, maar nergens ook maar een vage aanduiding van een duurzame Israelisch-Palestijnse regeling. Het feit dat de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook bezette gebieden zijn, wordt nooit vermeld. De uiteindelijke bestemming van deze gebieden is het onderwerp van een welbewust zwijgen. Het lot van de joodse nederzettingen, Palestijnse vluchtelingen en Oost-Jeruzalem, om maar een paar van de kritische onderwerpen te noemen die tezamen het Israelisch-Palestijnse conflict definiëren, worden gewoon tot nader order uitgesteld. De woorden 'Palestijnse zelfbeschikking' ontbreken geheel.

Wanneer het akkoord even zwijgzaam was over onderwerpen die Israel na aan het hart liggen, zou dit misschien begrijpelijk geweest zijn. Dat is echter absoluut niet het geval. Het is eerder zo dat het recht van Israel om vreedzaam en in veiligheid te bestaan onvoorwaardelijk wordt erkend, terwijl Israel zelf niets meer doet dan de PLO erkennen als onderhandelingspartner. De PLO ziet voor altijd af van het gebruik van geweld om zijn doelen te bereiken, terwijl Israel nog niet één kolonist in Kiryat Arba ontwapent. De PLO verplicht zich tot het elimineren van de interne oppositie tegen Israel, terwijl Israel het absolute recht houdt op voortzetting van een beleid en schendingen van overeenkomsten die niet alleen volstrekt illegaal zijn, maar ook de belangrijkste oorzaak vormen van het bestaan van de Palestijnse oppositie.

De concessies die Israel wel heeft gedaan betreffen slechts een select groepje Palestijnen en hun politieke organisaties. De Palestijnen als volk wordt niets dan onzekerheid geboden. Hen wordt in feite slechts toegestaan bepaalde dingen te regelen (waarvan er geen in de verste verte kan worden gedefinieerd als een nationaal recht), en dan alleen tot tevredenheid van Israel; onder de moeilijkst denkbare omstandigheden, gezien de voortzetting van een provocatief Israelisch beleid, kunnen ze onderhandelen over aanvullende bestuurlijke verantwoordelijkheden - onderhandelen, meer niet.

Ik wil niet neerbuigend doen over de noodzaak van symbolen en vertrouwenwekkende maatregelen in een proces waarvan het doel is een van de felste conflicten van deze eeuw uit de weg te ruimen. Maar symbolen moeten inhoud krijgen willen ze enige betekenis krijgen, en vertrouwenwekkende maatregelen moeten wederzijds zijn omdat ze anders alleen weerzin wekken. Nog belangrijker: een proces moet een duidelijke agenda, een herkenbaar einddoel en voldoende garanties hebben, wil het algemeen geaccepteerd worden.

Toen Israel voor het eerst geheime onderhandelingen met de PLO begon, was het zich perfect bewust van zowel de vereisten voor een rechtvaardige en duurzame vrede als van de uitzonderlijke zwakte van de PLO - hoezeer die daarvoor ook zelf verantwoordelijk voor was. Israel had een duidelijke keus. Het kon met de PLO onderhandelen op basis van de internationale consensus en aldus de vredeskrachten binnen de Palestijnse samenleving versterken, of het kon onderhandelen op basis van de zwakte van de PLO, waarmee voortzetting van het conflict en eventuele versplintering van de moeizaam verkregen Palestijnse consensus voor een historisch compromis met Israel verzekerd zouden zijn. Het resulterende akkoord en de ontwikkelingen sindsdien hebben duidelijk gemaakt dat Israel heeft gekozen voor het uitbuiten van de zwakte van de PLO ten koste van een levensvatbare regeling, of, anders gezegd, voor de voortzetting van de joodse nederzettingenpolitiek ten koste van een regeling met het Palestijnse volk.

Zoals recente gebeurtenissen in de Gazastrook opnieuw hebben aangetoond, bevindt het vredesproces zich in een permanente staat van crisis. “Teveel proces, te weinig vrede”, zei onlangs een Palestijnse functionaris. Men kan de schuld leggen bij een van beide partijen en hen ervan beschuldigen in gebreke te blijven bij het nakomen van hun verplichtingen, of concluderen dat er een meer fundamenteel probleem bestaat dat moet worden aangepakt, namelijk ernstige tekortkomingen van het akkoord van Oslo.

Tot dusver heeft men er de voorkeur aan gegeven tot elke prijs vast te houden aan het akkoord en verder hartstochtelijk te hopen dat als het Palestijnse bestuur zich maar gedraagt zoals zijn Israelische voorganger, het zal slagen waar het machtigste leger van de regio jammerlijk faalde, en in staat is het proces te redden. Maar die houding is uiteindelijk futiel omdat, zoals de geschiedenis leert, het Israelisch-Palestijnse conflict geen militair conflict is en niet met militaire of niet-juridische methoden kan worden opgelost.

Natuurlijk moet met legale methoden worden verhinderd dat mensen, van welk volk ook, zich inlaten met willekeurig geweld tegen burgers of anderszins de oorlogswetten en fundamentele mensenrechten schenden, en moeten zij worden vervolgd als ze die plegen. Maar zolang geweld zowel het symptoom van een groter probleem is als op zichzelf een probleem, blijft het nodig de onderliggende thema's te behandelen.

In dit geval is het belangrijkste thema kristalhelder: het ontbreken van het Palestijnse recht op zelfbeschikking, die met geen woord wordt genoemd in de Principeverklaring of in de sindsdien gesloten Israelisch-Palestijnse akkoorden. Zolang de betrokken onderhandelaars dit fundamentele thema blijven ontlopen, zullen ze morele verantwoordelijkheid dragen voor de dood en vernietiging die de Israeliërs en Palestijnen nog steeds achtervolgen, hoe vroom hun retoriek ook mag zijn.

Het proces kan alleen worden gered met een onmiddellijke overgang naar onderhandelingen over een permanente regeling. In tegenstelling tot de Principeverklaring moeten die onderhandelingen niet slechts uitlopen op een akkoord omwille van een akkoord, maar eerlijk de principes van een rechtvaardige en blijvende vrede weergeven, en afdoende garanties bevatten dat deze ten uitvoer zullen worden gebracht.