In Liefde Bloeyende

IMPASSE

Wij stonden in de keuken, zij en ik. Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag. Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf en de kans hebbend die ik hebben wou dat zij onvoorbereid antwoorden zou vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf?

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan haar hullend in een wolk die opwaarts schiet naar de glycine door het tuimelraam.

Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan druppelend water op de koffie giet en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.

Martinus Nijhoff (1894-1953)

Nijhoff en geen einde. Zijn gedicht Impasse mag wel een grijsgedraaide grammofoonplaat heten, niet weg te branden uit de toptien van de meest geliefde publieksgedichten.

Dat het ook onder dichters en vakbroeders zo populair is ligt ongetwijfeld aan die laconieke en tegelijk drastische uitsmijter ik weet het niet, dát heet nog eens nuchter en radicaal een punt zetten achter het getob (waarover wil je dat ik schrijf?) dat in schrijverskringen pompeus een writer's block heet. Door dit gedicht voelt zich het poëtenvolkje dat doorgaans lui is, warm aangesproken. 't Bezit door zijn slotwoorden die sfeer van vandaag wegens omstandigheden gesloten en verder geen gezeur, ja ook net dat vrijblijvende vleugje nihilisme dat bij dichters zo in tel is. Bovendien: niet weten waarover je moet schrijven en daar toch een goed gedicht van maken, 't is helemaal een dichtersdroom.

Ik geloof niet dat ik overdrijf wanneer ik zeg dat dit gedicht altijd als een poëticaal gedicht is gelezen, dat wil zeggen als een gedicht over het schrijven in dit geval over het niet kunnen schrijven van gedichten. Als een kijkje in de dichterskeuken. Wat is de impasse uit de titel anders dan letterlijk een writer's block?

Er is van dit gedicht een versie met een andere slotregel bekend. Daar hoorde je onder collega's vroeger wel eens discussies over. Het is de versie die eindigt op

en de damp geur wordt: een nieuw bruiloftslied.

Uiteraard was de uitslag van die discussies steevast dezelfde: de versie met ik weet het niet genoot onvoorwaardelijk de voorkeur. Dat was nu duidelijk de modernere versie, want drastisch en met het broodnodige vleugje nihilisme. Een nieuw bruiloftslied hoorde thuis in de ethische en psalmzingende hoek, en geen modern dichter die voor ethisch en psalmzingend wilde doorgaan. Nee, 't pleitte voor de absolute moderniteit van Nijhoff dat hij een nieuw bruiloftslied had verworpen. Aldus verliepen die discussies, voor zover ze niet over de fluitketel gingen.

't Kan aan de zwakte van de discussianten hebben gelegen, maar ik denk dat het door Nijhoffs krachtdadige bluf kwam dat niemand concludeerde dat het gedicht, als het over een poëtische impasse ging, aan alle kanten rammelde. 't Moest wel een heel suggestief gedicht zijn dat iedereen al die rarigheden erin zo over het hoofd zag.

Want indien het zou handelen over een om stof verlegen dichtertje, dan viel de centrale rol van 'zij' misschien nog wel te verklaren, bij voorbeeld als een Muze die op de klaroenstoot van de goddelijke fluitketel in een wolk wordt gehuld en, eenmaal verklärt, hem de onverbiddelijke orakelspreuk inwrijft, maar waarom zou de dichter zich hebben moeten 'schamen' voor zijn vraag, waarom moest de dame zo nodig op een 'onbewaakt ogenblik' worden aangesproken, waarom moest de dichter zich zoveel moed inspreken om zijn vraag te stellen? Waarop had zij voorbereid kunnen zijn? 't Gaat duidelijk om iets dat hen beiden betreft, om een relatie-kwestie, modern uitgedrukt en wat je van een writer's block ook mag zeggen, je hebt die nooit met z'n tweeën.

Nee, de aarzeling uit de tweede regel, de schaamte uit de derde, en de durf uit regel vier tot en met acht, ze horen bij een nieuw bruiloftslied in de slotregel, zo spelen ze hun rol mee in een groter geheel, maar ze staan er met de spreuk ik weet het niet bij als verdwaalde requisieten uit een in de steek gelaten repertoire. Zo staan ze daar maar een beetje brutaal te niksen.

't Eigenaardige zou zich hier voordoen dat men van dit gedicht algemeen de versie met ik weet het niet als de beste versie beschouwt, terwijl de versie met een nieuw bruiloftslied buiten kijf de meest coherente en gave is.

Tenzij...

Tenzij we de klemtoon altijd verkeerd hebben gelegd.

Dat is wat ik geloof. We hebben het woord bruiloftslied te veel in de hoogte getild. De nadruk hoort op nieuw te liggen. Dat is wat zij, de echtgenote, zegt: “Probeer het nog eens. Maak een nieuw bruiloftslied voor ons. Probeer een tweede bruiloftslied voor ons... Dat vorige van je, dat is niet veel geworden.” Een suggestie in wanhoop. De taal van het échec, en helemaal dus niet zo ethisch en psalmzingend.

De tobbende kunstenaar verdwijnt achter de verslofte, impotente huisvader, wat ook geen verheven aanblik biedt.

En zeker niet minder modern is.

Heb ik niet mooi een gedicht gered?