Honderd jaarkleur in film

Honderd jaar kleur in film is niet hetzelfde als honderd jaar kleurenfilm. De meerlagenfilm, een uitvinding van Agfa, dateert van de jaren dertig. De eerste speelfilm gedraaid in Agfacolor is Frauen sind doch bessere Diplomaten uit 1941, twee jaar later gevolgd door Baron von Münchhausen.

Al direct in 1895 waren er met de hand ingekleurde films, zoals het feeërieke Anna's butterfly dance dat Thomas Edison op 20 mei 1895 opnam in zijn 'Gala Monster Show'. Het aanbrengen van de transparante verf was monnikenwerk, per dag zo'n dertig beeldjes, nog geen twee seconden film. Ze duurden dan ook niet langer dan een minuut en waren gemonteerd tot lusfilm. Rond 1905 begon het stencillen: de filmstroken kregen celluloid maskers, voor iedere kleur één, waarna de kleurstof machinaal met rollers werd aangebracht. De laatste dagen van Pompeï is in 1926 gestencild.

In de beginjaren zijn veel films gevirageerd. Onderdompeling in een chemische oplossing gaf monochroom gekleurde filmstroken. De tint hing samen met de inhoud: blauw stond voor de nacht, vuur en passie gingen in rood en voor scènes binnenshuis koos men geel. Virageren liet zich fraai combineren met toning: een scheikundig proces waarbij het zilverbeeld op het zwart-wit negatief kleur krijgt door het met een speciale toner-oplossing te ontwikkelen. Een voorbeeld van zo'n film in twee kleuren is Napoleon van Abel Gance uit 1927.

Een voorloper van het Gaumont Chronochrome systeem was het Engelse Kinemacolor, dat in 1908 zijn première beleefde. Zowel het opnemen als projecteren gebeurde nog met één lens, waarbij een roterende schijf tussen lens en film afwisselend rood en groen licht doorliet. Op het doek volgden de rode en groene beelden elkaar zo snel op dat de toeschouwer door optisch bedrog mengkleuren ervaarde. Nadeel van Kinemacolor was dat bij snel bewegende voorwerpen de kleurcontouren vervormden en de dubbele opnamesnelheid van 32 beeldjes per seconde noopte tot hel licht.

Het driekleurensysteem van Technicolor betekende in 1932 de grote doorbraak. In een speciaal ontwikkelde (en nauwgezet in eigen beheer gehouden) camera splitste het invallende licht via een glazen prisma met halfdoorlatende goudspiegel in tweeen, en werd het rode, blauwe en groene deel van het spectrum via kleurfilters in drie separate zwart-witfilms vastgelegd. Positieve matrix reliëfs van deze 'panseparaten' werden via imbibitie (een soort zeefdruk) in de kleuren magenta, cyaan en geel op dezelfde blanke filmdrager gezet, met de stralende Technicolor-kleuren als resultaat. Na een zegetocht die begon met The garden of Allah (1936) en eindigde met The ladykillers (1957) werd het hele systeem aan China verkocht.

Eerder had de meerlagen-kleurenfilm de hegenomie van Technicolor doorbroken. Die bestaat uit vier lagen op een polyester drager, samen een klein chemisch wonder. Iedere laag bevat een zilverbromide emulsie die gesensitiseerd is voor licht uit het betreffende kleurgebied. Verder een verbinding waaruit tijdens het ontwikkelen kleurstoffen (dyes) ontstaan. Het geelfilter voorkomt dat blauw licht doordringt tot de diepere lagen voor groen en rood.

Bij het negatief-positief procédé van Eastman Color, in 1968 door Kodak op de markt gebracht, krijgt de emulsielaag die gevoelig is voor blauw licht een kleurstofcomponent voor geel, de groengevoelige laag ontvangt magenta en rood krijgt cyaan. Na uitbleken van het beeldzilver ontstaat aldus een negatief in de complementaire kleuren, waarvan op een contactprinter positieve kopieën worden getrokken. Een hardnekkig probleem van de meerlagenfilm is de instabiliteit van de kleurstoffen. Zo is cyaan gevoelig voor licht en magenta reageert op water. Op die manier raakt de kleurbalans verstoord. Berucht is het rode waas over speelfilms uit de jaren zeventig.

Een verhaal apart vormt het Franse Thomsoncolor waarop Jacques Tati in 1947 Jour de fête draaide. Het systeem werkt met zwart-wit negatief waarop de kleurinformatie zit opgeslagen achter ribbeltjes ter breedte van 40 micron (een micron is 0,001 millimeter) die rood, blauw of groen doorlaten. Tijdens de projectie pikt een aangepaste lens het gerefracteerde licht weer op en keren de kleuren terug. Gedaan was het met Technicolor, met de Amerikaanse hegemonie!

Er was één maar: Thomson slaagde er niet in een werkende projectielens te fabriceren. Bijna vijftig jaar heeft de filmwereld het moeten doen met zwart-witopnamen die door Tati voor de zekerheid parallel aan de Thomson-shots waren geschoten. Toen lukte het François Ede met deels optisch, deels elektronische technieken de kleuren alsnog aan de originele Thomson-negatieven te ontfutselen en op modern materiaal over te zetten. Daarmee is Jour de fête, afgelopen januari nog pronkstuk op het internationale Filmfestival van Rotterdam, de enige speelfilm die Thomsoncolor heeft opgeleverd. Mooie sepia-tinten, dat wel.

Vanavond opent Cinematheek Haags Filmhuis het programma '100 jaar film in kleur'. Gert Koshofer, secretaris-generaal van het Deutsche Gesellschaft für Photographie en auteur van het boek 'Color: die Farben des Films' houdt een lezing over de geschiedenis van kleur in de cinematografie, gevolgd door een unieke compilatie van korte films, filmfragmenten en trailers. T/m 3 mei zijn in het Haags Filmhuis historische kleurenfilms te zien, van The wizard of Oz (1939) via Le ballon rouge (1955) tot Dick Tracy (1990). In het Rotterdamse filmtheater De Lantaren/het Venster loopt van 13 t/m 26 april een vergelijkbaar programma. Inlichtingen: 070-3459900 en 010-4362722.