Hoera, het wemelt weer van de kriebelmuggen

Het woeden van water en wind bereikte grote hoogten in 1995. Het gevolg voor de nieuwe natuurgebieden in de uiterwaarden: hoge duinen van opgeworpen rivierzand, drijfzanden, nevengeulen, doorbraakkolken, rivierkwelgeulen en hoogwaterpoelen. Afgelopen maandag vestigden het Wereld Natuur Fonds, Rijkswaterstaat en RIZA en Hydrobiologisch Adviesburo Klink de aandacht op de microfauna: kleine ongewervelde waterdieren die nog met het blote oog te zien zijn. En zich daarmee lenen voor een speciale excursie voor de pers. Kleine ongewervelden vormen de basis voor herstel van de leefgemeenschap van natuurlijke rivieren, als schakel tussen kleine voedseldeeltjes en dierenleven van grotere afmetingen. Met hun korte levenscyclus en verschillende gevoeligheden vormen ze een uitstekende graadmeter voor de ecologische toestand van de rivieren. Die meter geeft op dit moment een verrassend gunstige stand aan.

In de nieuwe natuurgebieden zijn de afgelopen maanden zo'n vijftig bijzondere soorten ongewervelden aangetroffen - waaronder dieren die meer dan honderd jaar in het Nederlandse rivierengebied ontbraken. De nieuwe natuurgebieden in de uiterwaarden blijken razendsnel door stroomafwaarts gedreven rivierfauna te worden gekoloniseerd.

In hoogwaterpoelen langs de Grensmaas en de Waal zijn heel recent zeldzaamheden aangetroffen als de platte waterwants (Aphelocheirus aestivalis), verschillende soorten eendagsvliegen, kokerjuffers en libellen - waarbij de vondst van twaalf larven van de zeldzame beekrombout (Gomphus vulgatissimus) in de Millingerwaard de kroon spant. Ook de milieu-kritische steenvliegen hebben de ontstane poeltjes in de uiterwaarden gekoloniseerd. De vondst van de blinde kreeft Niphargus aquilex, die leeft in het grondwater onder de rivierbodem, is nieuw voor de Rijntakken in Nederland. In de onbekade uiterwaarden van Ewijk en Leeuwen is bovendien de eendagsvlieg Potamanthus luteus weer gezien, in Nederland voor het laatst waargenomen in 1889.

Nevengeulen

En zo zijn er meer soorten de afgelopen tijd nu verrassend snel opgedoken. In 1992 lanceerde het WNF het plan 'Levende Rivieren', met onder meer een pleidooi voor het herstellen en creëren van nevengeulen. Het zomerbed van de rivieren zelf biedt door kanalisatie en intensieve scheepvaart weinig soelaas meer voor natuurlijke processen. Omgeven door ooibossen moeten nevengeulen een toevluchtsoord vormen voor ongewervelden.

Een klein jaar geleden werd de eerste nevengeul langs de Waal gegraven, bij Beneden-Leeuwen. Nu al blijkt deze geul door filterende voedselzoekers te worden bewoond - de larven van kriebelmuggen bijvoorbeeld. Op twee in het stromende water gestorte wilgen werden de afgelopen maand larven van drie verschillende soorten kriebelmuggen aangetroffen: Odagmia ornata, Wilhelmina equina en W. lineata. De vondst van de laatste betekende een primeur voor Nederland. Van de twee andere soorten werden de afgelopen tien jaar slechts enkele exemplaren in de Rijn aangetroffen.

De larven weigeren zich aan het bijeengedromde journalistenvolk te vertonen. Maar een van flinke diepte uit het stromende water opgediepte tak levert de minieme pop van een kriebelmug op. Een andere stop langs de Waal, bij Ewijk, levert meer spektakel op. Vorig jaar was de Ewijkse plaat nog een regulier weiland. Na beëindiging van de pacht heeft het de functie van voorbeeldterrein voortvarend op de schouders genomen. Harde wind legde enorme pakketten zand neer, waar het hoog staande water vervolgens verfijnde halve-maan patronen op aanbracht. Het dalende water zorgde tenslotte voor meanderende geulen. Het water dat in de kolken en poelen is blijven staan, is nu het leefgebied van een groot aantal karakteristieke rivierbewoners.

Hier voert de zoektocht naar ongewervelden het begrip 'Nieuwe Natuur' wel heel ver: aanvankelijk wordt alleen de Kaspische slijkgarnaal (Dikerogamarus vilosus) gevonden. Deze soort heeft zich na de opening van het Donau-Rijn kanaal, luttele jaren terug, als nieuwkomer in Nederland gevestigd. Maar al snel worden ook verschillende soorten kokerjuffers uit het net gevist, larven van schietmotten die zich door hergebruik van allerhande natuurlijk afval van een beschermende huls voorzien. Een andere vondst, dit voorjaar inmiddels routine, is die van een larve van een Weidebeekster (Calopteryx splendens), een zeldzame libelle. Tien jaar geleden was dat volgens de onderzoekers nog iets om van in de lucht te springen. Deze larve wordt door de onderzoekers van zijn geslonken poeltje naar water verhuisd dat nog wat langer blijft staan - want hij moet wel kunnen uitvliegen. Een obscure waterwants verdwijnt daarentegen in een plastic potje. Verdere bestudering moet zijn wetenschappelijke naam opleveren.

Verreweg de meeste soorten kleine ongewervelden moeten het zonder Nederlandse aanduiding stellen. Dat zit medeleven met hun wel en wee door een groot publiek stevig in de weg. Maar over aandacht van milieudeskundigen heeft de microfauna van de rivieren geen klagen. Zij wordt internationaal terdege in het oog gehouden, volgens afspraken tussen de verschillende Rijnoeverstaten. Bram bij de Vaate, bioloog bij Rijkswaterstaat, houdt zich met het samenwerkingsprogramma voor 'bemonstering' bezig. Hij vat de ontwikkelingen in de Rijn over de jaren samen. 'De eerste groep slachtoffers van vervuiling met bestrijdingsmiddelen waren de insektelarven, zoals kokerjuffers. Aan het einde van de jaren zeventig zag je die weer terugkeren - het gevolg van een vermindering van een concentratie aan schadelijke stoffen. En je ziet nu weer een nieuwe toename aan soorten - vooral door een verbetering van de zuurstofhuishouding van de rivier.'

Verstikkend

Het lozen van huishoudelijk afvalwater met zuurstofbindende stoffen had lange tijd een verstikkend effect op de rivier, vooral 's zomers. Tegenwoordig wordt 99% van het afvalwater gezuiverd. Bij de Vaate: 'Het zuurstofgehalte is nu als remmende factor verdwenen. Maar je hebt altijd een andere bottleneck. Mogelijk is nu overbemesting, eutrofiëring van het water de belemmerende factor voor een deel van de ongewervelden. Daarnaast speelt biotoopgebrek een duidelijke rol.'

Na het hoogwater van februari zijn nu al meer soorten gevonden dan de afgelopen vijftien jaar in het zomerbed van de rivieren zelf werden aangetroffen. Een veelbelovend begin van herstel? Ten dele. De meeste poelen zullen de komende maanden weer uitdrogen, waarna de bewonende soorten mogelijk tientallen jaren moeten wachten op extreem hoog water. Het WNF benadrukt dat voor een permanente terugkeer van deze soorten meer dynamische uiterwaarden nodig zijn, waarin de rivier ook bij lagere waterstanden poelen kan vormen. Verwijdering van zomerkades en het zorgvuldig afgraven van de bovengrond voor de baksteenfabrikage kan daar voor zorgen. De klei die bij het creëren en herstellen van nevengeulen vrijkomt, kan gebruikt worden om naburige dijken te versterken.