Hoe het verder ging met Graft

GRAFT. De vloer van de kerk bestaat uit grijze grafstenen, waarop namen en familiewapens staan van vier eeuwen geleden. En dat is alles wat er nog over is van het gebouw. Geen muren, geen ramen, geen dak. Een Hollandse lucht welft hoog en blauw over de versleten stenen, in alle vier de windrichtingen ligt groene polder waarin schapen staan en aan de horizon steken de torenspitsen van De Rijp en Noordeinde, van Oost-Graftdijk en West-Graftdijk trots boven hun dorpen uit, als vingers naar de hemel. Zij wel. Alleen Graft moet die verwijzing missen. Aan het begin van de jaren vijftig besloot de kerkeraad het godshuis af te breken en zo geschiedde, steen voor steen. Er was geen geld meer voor het onderhoud en te weinig belangstelling voor de diensten. Eeuwig zonde, inderdaad.

Graft ligt in de Schermer, op het Schermereiland. Dankzij de zeevaart en de visserij was het in de gouden eeuw groot en welvarend. Dat is nog te zien aan het precieus gerestaureerde raadhuis met zijn trapgevel, zijn vergulde ornamenten en de steen boven de ingang waarop een kleurig zeilschip staat. De historicus A.Th. van Deursen gebruikte Graft, waarover uitzonderlijk veel archiefmateriaal bewaard is gebleven, om een beeld te geven van de samenleving in een typisch Hollands dorp uit die tijd. Hij schrijft over de bakkers en de chirurgijns, de kroegbazen en de ordehandhavers, over hun werk, hun huwelijksleven, hun geldzorgen en hun kleine overtredingen. Een dorp in de polder is juist door al die feitelijke detials een ongewoon spannend boek geworden, maar hier en daar klinken ook de opvattingen van de schrijver er in door.

De godsdienst speelt een grote rol in de samenleving die hij beschrijft. Bijna driekwart van de bevolking was gereformeerd en, belangrijker nog, het kerkelijk en het wereldlijk gezag vielen vrijwel samen. Het lage misdaadcijfer en de geringe mate van geweldpleging was volgens Van Deursen te danken aan deze “harmonie tussen kerkelijk denken en de normen die uit de gemeenschap opkwamen”. In de Huizinga-lezing die hij in december hield, werkte hij die gedachte verder uit: een samenleving heeft behoefte aan een ideaal, aan onveranderlijke normen, met de steeds wisselende opvattingen van een toevallige meerderheid gaat het niet. Van Deursens lezing kwam neer op een pleidooi voor herstel van een bijbelvaste, christelijke moraal.

Als hij gelijk heeft, dan moet het al heel lang heel slecht gaan met Graft. Sinds de zeventiende eeuw is er immers in dit exemplarische Hollandse dorp nogal wat veranderd. Het werd kleiner en armer, want de voortgaande inpoldering maakte de zoetwatervisserij en de bereikbaarheid voor zeeschepen steeds moeilijker. Pas in de negentiende eeuw vestigden zich er weer nieuwe bewoners, katholieke tuinders die hun bedrijf op de vruchtbare klei gingen uitoefenen. Die katholieken zijn er nu in de meerderheid. Maar Graft is eigenlijk 'onkerks', zeggen de bewoners. Een handvol mensen, drie families, bezoekt nog de hervormde kerk in De Rijp. En toch zet de dominee er nog altijd niet haar fiets op slot.

“Kerkgang is er weinig hier”, geeft die dominee grif toe. “Maar er is wel een gemeenschap. Een kerk die nadrukkelijk op de stoel van God gaat zitten en over alles oordeelt, daar is geloof ik nooit een fundament voor geweest op deze zompige grond. De protestanten in Noord-Holland zijn minder streng dan die in Zuid-Holland. Minder streng. Vroomheid is meer met het dagelijkse doen verbonden. Een keurslijf, de orthodoxie, daar moeten ze hier niets van hebben. Normen en waarden willen ze graag zelf bepalen. Maar ik heb me welkom gevoeld vanaf de eerste dag.”

De dominee ontvangt in het oude weeshuis aan de Dorpsstraat. Na de afbraak van de kerk zijn daar de statenbijbels en psalmenboeken heen gebracht en ook hangen er de borden waarop de namen van alle Grafter predikanten zijn geschilderd, te beginnen met de eerste kort na de reformatie. Rechtsonderaan het tweede bord wordt op een dag ook de naam van Liesbeth Baars geschreven. Ze is blond en ernstig en rookt kleine sigaartjes. Dit is haar eerste gemeente. Op de fiets onderhoudt ze het contact tussen de vier plaatsen waar ze werkt: Graft, De Rijp, Oost-Graftdijk en West-Graftdijk. Een keer per jaar, op kerstmis, steekt ze met het pontje over naar De Wouden, een eiland waar de bewoners zelf een kerk hebben gebouwd.

Van Deursen leidt uit de zeventiende-eeuwse cijfers af dat er destijds twee factoren waren die het enthousiasme voor een kerkgenootschap stimuleerden: de komst van een nieuwe dominee en de bouw van een kerk in het eigen dorp. Toen Oost- en West-Graftdijk een eigen gebouw kregen nam de belangstelling voor het lidmaatschap er aantoonbaar toe. Ze worden op dit moment beide gerestaureerd, want de dorpen hechten nog steeds zeer aan die gebouwen, al is de liefde meer cultureel dan godsdienstig van aard. De ontkerkelijking in Nederland schrijdt gestaag voort en in Noord-Holland gaat het zelfs sneller dan elders, zo blijkt uit cijfers die twee weken geleden werden gepubliceerd.

Natuurlijk vindt de dominee dat jammer. Maar op een bepaalde manier is het ook weer niet zo erg. Want: “in een gat kun je iets bouwen, al weet ik nog niet precies wat en hoe”. In de week voor pasen vliegt zij heen en weer door haar polder. Dienst in het verzorgingstehuis, kerkeraadsvergadering, bijbelkring, de voorbereiding van preken voor witte donderdag, goede vrijdag en paaszondag, en altijd huisbezoeken, aan gezonde en aan zieke gemeenteleden, maar ook aan mensen die nooit in de kerk komen en zèlfs aan katholieken. “Dat een kerk vooral een gemeenschap is en dat ze juist op doordeweekse dagen zo'n belangrijke rol kan spelen was voor mij de reden om theologie te gaan studeren.”

Maar hoe zit het dan met de normen en waarden? Komen die, anders dan Van Deursen suggereert, dus toch uit de gemeenschap voort? Hoeft er geen wetstekst te worden gegeven voor er een samenleving kan ontstaan?

“Zondag zijn er, denk ik, honderd mensen bij de paasviering”, zegt Liesbeth Baars. “Dat is maar een klein deel van de bevolking. Toch is het hier geen losgeslagen bende. De kerk als instituut leeft niet meer zo erg. Maar de afkeer van godsdienst behoort ook tot een voorbije periode. Over geloven wordt veel gedacht en ik merk iedere dag dat men daarover wil praten. Natuurlijk is het mijn ideaal dat men dat ook weer samen gaat doen. Dat de kerk niet alleen het symbolische middelpunt is van ieder dorp maar dat hij ook weer vol zit op zondag.”

En ja, als de dominee op een dag als vandaag langs het gat fietst waar vroeger de kerk van Graft heeft gestaan, langs de zerken die nu blootstaan aan weer en wind, dan denkt ze dus weleens dat het mooi zou zijn als daar op een dag weer iets gebouwd zou worden. Maar het dorp zal dat toch zelf moeten doen. Hogerhand kan het niet regelen.