Elk laatje een lustvoor het oog; Het verfwaren-kastje van Michiel Hafkenscheid

Het Hafkenscheidkastje. Teylers Museum, Spaarne 16 in Haarlem. T/m 18 juni. Di-za 10-17 u., zo 13-17 u.

E.B.F. Pey: De collectie Hafkenscheid. Een verzameling van schildersmaterialen uit de eerste helft van de negentiende eeuw. (doct. scriptie, Nijmegen, 1985.)

Toen Han van Meegeren op 29 mei 1945 werd gearresteerd, was dat niet omdat hij verdacht werd van het vervalsen van zeventiende eeuwse schilderijen. In 1943 zou Van Meegeren via een tussenpersoon een schilderij van Johannes Vermeer, Christus en de overspelige vrouw, voor anderhalf miljoen gulden hebben verkocht aan Hermann Göring. Hij had een stuk nationaal cultuurbezit aan de vijand verkwanseld en hij moest dus terecht staan wegens collaboratie.

Tijdens zijn voorarrest, in juni 1945, kwam Van Meegeren met een opzienbarende bekentenis: het doek dat hij aan Göring had verkocht was door hemzelf geschilderd. En niet alleen dit schilderij, ook nog vijf andere 'Vermeers' - waaronder De Emmaüsgangers, dat sinds het in 1937 was ontdekt in Museum Boymans van Beuningen hing - en twee 'Pieter de Hooghs'.

Van Meegeren deed zijn bekentenis waarschijnlijk in de veronderstelling dat vervalsing minder zwaar gestraft zou worden dan collaboratie. Bovendien gaf hij hiermee aan dat hij de vijand met een vals meesterwerk om de tuin had geleid. Ook stelde hij zichzelf op deze manier voor als een geniaal schilder: de 'Vermeers' die volgens zijn zeggen uit zijn eigen atelier kwamen, waren immers alom bejubeld. Van Meegerens bekentenis stuitte op ongeloof en daarom bood hij aan om een proeve van zijn bekwaamheden te geven en, in voorarrest, nog een 'Vermeer' te schilderen. Het resultaat, Christus in de tempel, was zo overtuigend dat hem, in plaats van collaboratie, vervalsing ten laste werd gelegd. Zijn zaak werd door het militair gezag overgedragen aan justitie.

De rechtbank stelde een commissie in die de vermeende vervalsingen aan een röntgenologisch en scheikundig onderzoek moest onderwerpen met de bedoeling een bewijs te vinden dat de doeken werkelijk van Van Meegeren waren. Een van de commissieleden was de chemicus prof.dr. W. Froentjes van het Gerechtelijk Laboratorium in Den Haag. Nu, vijftig jaar later, staat Froentjes het vervalsings-onderzoek nog helder voor de geest. Van Meegeren verleende alle medewerking: hij voorzag de commissie van verfmonsters en hij gaf informatie over zijn werkwijze. Voor zijn vervalsingen had hij originele, maar niet erg kostbare, 17-de eeuwse doeken gebruikt. Nadat hij met aceton en soda een deel van de oude verflaag had verwijderd, bracht hij zijn eigen schildering aan. Als de Vermeer of de De Hoogh voltooid was, ging het doek vier uur lang in een oven van 100amer C. Vervolgens werd het om een stok gerold, waardoor in de hardgebakken verf craquelures ontstonden die hij met Oostindische inkt zwart verfde. Tenslotte kreeg het schilderij nog een bruine vernislaag.

Froentjes: 'Van Meegeren gebruikte bij zijn vervalsingen klassieke pigmenten, maar als bindmiddel paste hij een mengsel van bakeliet-kunsthars en lavendelolie toe en dus geen lijnolie, zoals de zeventiende eeuwse schilders deden. Er bestaan verschillende bakeliet-kunstharsen, allemaal uit het begin van deze eeuw. Als wij konden aantonen dat de vervalsingen precies die bakeliet-kunsthars bevatten die ook Van Meegeren had gebruikt, dan zou dat bewijzen dat hij inderdaad de maker was. Betrekkelijk primitief moesten we proberen de kunsthars te isoleren uit de verf, die in de oven een keiharde massa was geworden. Alleen bij het loodwit lukte het ons de kunsthars van het pigment te scheiden. Het loodwit loste op in verdund perchloorzuur en de hars bleef dus over, in minieme brokjes. Onder de microscoop konden we ze identificeren als dezelfde kunsthars als die uit het atelier van Van Meegeren.'

Het bewijs was overtuigend. Van Meegeren werd schuldig bevonden aan het, 'door listige kunstgrepen' vervalsen van schilderijen en hij kreeg, op 12 november 1947, een jaar gevangenisstraf. Anderhalve maand later overleed hij.

Monsters

Bij het natuurwetenschappelijk onderzoek deed de commissie een beroep op een geheimzinnig kastje dat zich in de TU te Delft bevond: het 'Hafkenscheidkastje', genoemd naar de Amsterdamse groothandelaar in verfstoffen Michiel Hafkenscheid (1772-1846).

Aan het begin van de vorige eeuw verzamelde deze Hafkenscheid 370 verschillende monsters van pigmenten, ertsen en gesteenten, verfhouten, gommen en harsen. De monsters, die samen een soort stalenboek vormen van alles wat hij kon leveren, borg hij op in een eikehouten empirekastje met negentien laden. Elke la is verdeeld in 24 vakjes en elk vakje bevat een bakje met een glazen deksel waardoor de inhoud in één oogopslag te zien is. Een inventarislijst geeft nauwkeurig aan wat zich in de bakjes bevindt.

Froentjes: 'Het kastje gaf ons uitstekend referentiemateriaal bij het pigmentonderzoek. Ook bij de identificatie van de kunsthars hebben we dankbaar gebruik gemaakt van de natuurharsen die Hafkenscheid had verzameld.'

Een ander lid van de commissie, dr.ir. A.M. de Wild, had in 1928 de verzameling oude pigmenten al benut bij zijn schildertechnisch en chemisch-historisch onderzoek naar Hollandse schilderijen uit de 16-de tot 18-de eeuw. Ook later heeft het kastje nog verschillende malen goede diensten bewezen, bijvoorbeeld in de jaren zeventig toen Froentjes de aan Rembrandt toegeschreven schilderijen in het Mauritshuis onderzocht. Ook bij dit onderzoek kon hij voor de fysische en chemische identificatie van de pigmenten referentie-materiaal vinden in het Hafkenscheidkastje.

'We wilden meer te weten komen over het palet van Rembrandt en ik heb toen alle mogelijke pigmenten die Rembrandt gebruikte vergeleken met de pigmenten uit het kastje, waarvan ik 85 microscopische preparaten in mijn laboratorium had.' Bij dit onderzoek werden verschillende pigmenten van Rembrandts palet geïdentificeerd en ook werd een oud, in onbruik geraakt pigment, het lood-tin geel, herontdekt.

Het Hafkenscheidkastje, dat sinds 1926 in het bezit was van de TU in Delft, is onlangs overgedragen aan Teylers Museum, dat rondom de nieuwe aanwinst een expositie heeft ingericht. Aan de hand van documenten, verfmonsters, röntgenfoto's en ook enkele schilderijen, wordt aandacht besteed aan de studie van De Wild uit 1928, het Rembrandt-onderzoek van Froentjes en de geruchtmakende Van Meegeren-ontmaskering. Zo hangt er van Han Van Meegeren het schilderij Dame en heer aan het spinet uit 1932: een vlakke, levenloze, in vale kleuren geschilderde interieurscene, waarvan nu moeilijk voorstelbaar is hoe men er ooit een Vermeer in kon zien. Het pronkstuk van de tentoonstelling is het nooit eerder geëxposeerde kastje, dat pontificaal middenin de museumzaal staat opgesteld. De laden zijn ondergebracht in wandvitrines waar de inhoud van de vakjes zich van bovenaf goed laat bezichtigen. Ook zonder enige kennis van de diverse stoffen die Michiel Hafkenscheid bewaarde, is elke la een lust voor het oog. Zo vormen de 24 vakjes in lade nummer 11 een schitterende compositie van gele, oranje, rode, paarse en blauwe pigmenten in brokjes, klontjes, bolletjes en poedervorm. Lade 2 levert een fraai overzicht van aardsoorten als omber, het bruine terra Siena, de zwarte Kasselse aarde, het gelige triepel en verschillende okers. Bij het vullen van de laden speelde de esthetiek natuurlijk geen enkele rol. Michiel Hafkenscheid maakte, zoals toen gebruikelijk was, een indeling naar de herkomst van de stoffen. In de eerste vier laden borg hij de onbewerkte anorganische materialen (gesteenten en aardsoorten), in la 5, 6 en 7 de onbewerkte organische (plantaardige kleurstoffen en verfhouten), in 8 en 9 harsen, gommen en kunstmatige metaalverbindingen. De overige laden reserveerde hij voor pigmenten (zowel organische als anorganische) en gemalen mineralen.

Lapis lazuli

De inhoud van het kastje is bijzonder door de enorme hoeveelheid grondstoffen,halffabrikaten, pigmenten en kleurstoffen die het bevat: van bijvoorbeeld lapis lazuli in vakje 1, tot puimsteen in vakje 50, weegbreezaad in 104 en nicaraguahout-extract in 316. Achteraf bezien heeft Hafkenscheid deze verzameling nog net op tijd aangelegd - omstreeks 1850 begon, met de opkomst van de verfindustrie, de ontwikkeling van allerlei nieuwe verfsoorten. Daarvoor, van de 16-de tot halverwege de 19-de eeuw, was de samenstelling van verf nagenoeg onveranderd gebleven. In principe kwamen er slechts twee bestanddelen aan te pas: een bindmiddel (olie, natuurhars, plantaardige gom of dierlijke lijm) en een pigment (niet oplosbaar) of een kleurstof (wel oplosbaar). Het kastje herbergt hierdoor een schat aan informatie over de bindmiddelen, kleurstoffen en pigmenten die tussen 1500 en 1850 in verf werden verwerkt. De collectie geeft ook een indruk van de inventiviteit waarmee pigmenten en kleurstoffen werden gevonden. Zo is het pigment Indisch geel geprepareerd uit de urine van met mangobladeren gevoerde koeien en werd beenzwart gewonnen uit verkoolde beenderen. Zelfs uit schildluislarven wist men nog een rode kleurstof te peuren.

Hafkenscheids handel in 'Verfwaren, terpentijn en gommen' heeft bijna honderd jaar bestaan. In 1924 werd het intussen sterk verouderde bedrijf, dat gevestigd was aan de Binnenkant in Amsterdam, opgeheven. Het kastje waarvoor Michiel Hafkenscheid van alles wat hij verkocht een beetje achterhield, krijgt deze zomer, na afloop van de expositie, een vaste plek in een kabinet van het Teylers Museum. Hoe Michiel Hafkenscheid zélf in verf gestalte kreeg, zal dan niet meer te bezichtigen zijn. In 1829 liet hij zich met zijn vrouw en zes kinderen portretteren door Otto de Boer, die het vrolijke en onbekommerde gezin situeerde in een romantisch woud. Het schilderij keert na de tentoonstelling terug naar de bruikleengever.