Boomkorvisserij

In W&O van 6 april maakt dr. Han Lindeboom van het NIOZ opmerkingen over de invloed van de boomkorvisserij op het ecosysteem van de Noordzee. Dit geeft mij aanleiding tot de volgende kanttekeningen.

De bijvangst in de boomkorvisserij wordt door Lindeboom uitgedrukt in het aantal kilo's bijvangst voor iedere kilo verkoopbare tong. Dit geeft een onvolledig en daardoor scheef beeld omdat door de boomkorvissers veel meer schol dan tong wordt gevangen. De bijvangst aan vis per kilo aangelande vis bedraagt dan ook geen 10 kilo maar 1 à 2 kilo. Van deze bijvangst gaat een deel weer levend overboord.

De stelling dat de boomkorvisserij verantwoordelijk zou zijn voor het verdwijnen van diersoorten zoals langlevende schelpdieren, heeft Lindeboom al in 1991 geponeerd bij de publicatie van het rapport 'Beschermde Gebieden Noordzee'. Vooral het in dit rapport genoemde sterftepercentage van 90% voor opgeviste exemplaren van de schelpdiersoort Noordkromp, moest deze stelling onderbouwen. Uit recent gepubliceerd onderzoek van het NIOZ is echter gebleken dat minder dan 1% van de in de zeebodem aanwezige Noordkrompen door een passerend boomkornet wordt opgevist. Van de overblijvende 99% zal misschien een enkele schelp de aanraking met het net niet overleven, maar van uitroeiing van soorten kan geen sprake zijn.

Lindeboom stelt verder dat de bodem van de Noordzee overal tenminste eenmaal jaarlijks wordt bevist. De juiste informatie is dat de Zuidelijke Noordzee jaarlijks gemiddeld eenmaal door de boomkorvisserij wordt bevist. De visserij vindt echter geconcentreerd plaats in bepaalde gebieden. Uit onderzoek van het Rijksinstituut voor Visserijonderzoek (RIVO) met behulp van een registratieapparaat op de navigatieapparatuur van vissersschepen is dan ook gebleken dat 90% van de visserij-inspanning plaatsvindt in 40% van het totale visgebied. Er zijn dus zelfs in de intensief beviste Zuidelijke Noordzee nog steeds grote gebieden waar weinig of niet gevist wordt.