Bewaardrift

In het artikel 'Geleerde bewaardrift' (W&O, 16 maart) maakt de rijksarchivaris van Noord-Holland, dhr. Brokken, een aantal behartenswaardige opmerkingen m.b.t. het toegankelijk maken van particuliere archieven. Met name zijn visie dat men voor het inventariseren archivarissen moet inschakelen in plaats van wetenschappers is ons uit het hart gegrepen. Eén uitspraak behoeft echter de nodige nuancering, nl. dat musea en documentatiecentra niet geschikt zijn voor het ontsluiten en conserveren van archieven.

Nu is het zeker zo dat lang niet alle musea en documentatiecentra in Nederland het tot hun taak rekenen archieven te beheren. Museum Boerhaave is daar inderdaad een goed voorbeeld van.

Maar er bestaat ook een grote groep van musea en documentatieinstellingen die wèl particuliere archieven verzamelen en beheren, zogenaamde categoriale archiefbeherende instellingen. Zij onderscheiden zich van overheidsarchiefbewaarplaatsen zoals het Rijksarchief in Noord-Holland, doordat de laatsten primair tot taak hebben de archieven van de overheid te bewaren en daarnaast ook wel particuliere archieven verzamelen. De categoriale instellingen daarentegen verzamelen uitsluitend particuliere archieven met het doel een bepaald onderwerp te documenteren. Het gaat vaak om grote instellingen, die van enkele honderden meters tot enkele kilometers aan archieven beheren. Bekende voorbeelden zijn het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, het Katholiek Documentatiecentrum, het Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging en het Nederlands Architecteninstituut.

Door deze instellingen wordt groot belang gehecht aan een professionele behandeling van archieven. Ten eerste hebben zij archivarissen in dienst die dezelfde opleiding als Brokken gevolgd hebben aan de Rijksarchiefschool te Den Haag. Wij kunnen geen reden bedenken waarom zij minder geschikt zouden zijn dan archivarissen die bij een overheidsarchief werken. Sterker nog, zij hebben het voordeel zich in een omgeving te bevinden waar alle expertise betreffende het onderwerp gebundeld is. Dat zal eerder bevorderlijk dan schadelijk zijn voor het wetenschappelijk gehalte, zoals Brokken meent.

Ten tweede heeft een veertigal van deze instellingen zich verenigd in CANNet, met het doel de professionaliteit van het archiefbeheer te bevorderen. Dat zij daarbij de standaard in gedachten hebben die ook bij overheidsarchieven gehanteerd wordt, behoeft hier verder geen betoog.