Anti-predator gedrag van boven de Rijn uitgegooide croutons

Stukjes brood - croutons - bieden een uitstekend middel om de evolutie van groepsvorming bij prooidieren te bestuderen. Dat beweren Zwitserse onderzoekers aan het Zoölogisch Instituut in Basel. Het tijdschrift Behaviour (132, 1-2) bevat, temidden van verhandelingen over het gedrag van salamanders, berggorilla's en wolven, een boeiende bijdrage over de prooi-predator verhouding tussen boven de Rijn uitgegooide croutons en kokmeeuwen. Onder de titel 'The selfish crouton' geven de onderzoekers hun bevindingen weer - een verwijzing naar het gevleugelde begrip 'de zelfzuchtige kudde.'

Waarom houden veel prooidieren zich in groepen op? De verschillende daarvoor gesuggereerde factoren laten zich moeilijk apart onderzoeken. Het gevolg van de groepsvorming op zichzelf wordt vertekend door allerlei bijkomende predator vermijdende strategieën die zich ontwikkelden nadat die groepen zich eenmaal hadden gevormd, zoals gezamenlijke vlucht- en verdedigingsacties of het zich verbergen achter groepsgenoten. Croutons hebben die nadelen niet. En als model voor al of niet in groepsverband opererende roofdieren voldoen de kokmeeuwen (Larus ridibundus) uitstekend - jarenlang zijn zij door de inwoners van Basel getraind op het razendsnel in de lucht onderscheppen van aan de oevers van de Rijn uitgeworpen stukken brood.

De onderzoekers koppelden het volgens een nauwgezet tracé uitwerpen van croutons in verschillende groepsgrootten met verfijnde waarnemingsmethoden. Het percentage in de lucht gegrepen prooien werd afgezet tegen de eenheden die ongeschonden het water wisten te bereiken en als ontsnapt werden beschouwd. Behalve de groepsgrootte werd de samenstelling van het prooi-aanbod gemanipuleerd, door naast broodkleurige ook kunstmatig gekleurde prooien het luchtruim te laten kiezen. De onderzoekers vonden een duidelijk positief verband tussen de ontsnappingskans en de groepsgrootte. Daarmee werd het vaak aangehaalde 'verdunningseffect' van groepsvorming aangetoond; naarmate de prooidieren met meer zijn, wordt de kans dat één enkel individu gepakt wordt kleiner. Het ook vaak gepostuleerde 'verwarringseffect' bleef achterwege. In het klein is dat het gegeven van de goudvis die bij een heel ruim aanbod aan voor zijn ogen zwermende watervlooien niet meer weet te kiezen - en volgens een apocrief verhaal uiteindelijk verhongert. Meeuwen hebben geen enkele moeite een prooi in een groep uit te selecteren en zich daar op te richten, of zonodig snel over te schakelen op een andere. Het levert een meeuw zelfs een hoger jachtsucces op wanneer hij een groep croutons belaagt in plaats van één enkele. De heterogene kudde versus de homogene - gewone croutons of gewone en gekleurde - scoorden vrijwel gelijk in mortaliteit. De normaal gekleurde prooien hadden wel een voorkeur van meeuwen, wat correspondeert met een zoekbeeld bij de prooiselectie.

Interessant is dat het positieve effect van groepsvorming al bij kleine aantallen optreedt. Vanaf groepsgrootte één is er een groeiende individuele overlevingskans voor croutons - zonder bijkomende factoren als groepsverdediging.

Toen aanvankelijk solitaire dieren in de evolutie groepsverbanden ontwikkelden, was van het tegenwoordig vertoonde samenwerkingsgedrag tegenover roofdieren nog geen sprake. Niettemin toont het Zwitserse onderzoek aan dat noch de aanvankelijke beperkte groepsafmetingen, noch het ontbreken van gecoördineerde groepsacties een beletsel zijn voor positief effect op de individuele overlevingskans. Ook in een vroeg stadium had kuddevorming voordelen, zodat niets de ontwikkeling van een uitgewerkter groepsverband in de weg stond.