PvdA moet verzorgingsstaat en solidariteit moderniseren

Wie zei er ook alweer dat de traditionele achterban van de PvdA niet meer bestaat? Bij eenderde van de huishoudens in Nederland is het in ieder geval geen vetpot. Tien procent van de mensen heeft samen met een eventuele partner een inkomen tot of rond het minimum.

Vijfentwintig procent van de mensen moet rondkomen van een bedrag dat tussen het minimum en modaal ligt. Om het geheugen op te frissen: modaal betekent 29.300 gulden netto per jaar. Anders dan Peter Hupe (NRC Handelsblad, 1 april) en Mark Kranenburg (17 maart) beweren, bestaat de traditionele achterban van de PvdA nog wel degelijk. Het zijn echter niet alleen de cijfers die tellen. Het wordt ook nog duidelijker als je om je heen kijkt. Buiten je eigen nieuwbouwwijk, dat wel.

Maar de logische wedervraag is dan: als er voor de PvdA nog heel wat te doen is en als de traditionele achterban nog bestaat, hoe verklaar je dan de nu zoveel jaren verslechterende positie van de PvdA?

De laatste verkiezingsnederlaag van de PvdA kan niet verklaard worden door fouten tijdens de campagne of kort daarvoor. Bij de PvdA geen Maij-Weggen-achtige uitspraken. Evenmin zijn er de afgelopen maanden vreselijke politieke besluiten genomen die juist de PvdA aangerekend zouden kunnen worden. En dan toch dit slechte resultaat. Het zit dus dieper.

Teveel mensen hebben niet gestemd en heel veel mensen hebben rechtser gestemd dan bij vorige verkiezingen. Onder de niet-stemmers zijn mensen, die het sociaal-economisch moeilijk hebben, oververtegenwoordigd. Onder de mensen die wel zijn gaan stemmen zijn de middenklassers oververtegenwoordigd. En die hebben dus rechtser gestemd.

Dat opschuiven naar rechts is niet nieuw. Het is een trend van zeker al een jaar of acht, negen. Mensen bepalen hun stem, naar mijn idee, niet altijd aan de hand van een nauwgezette analyse van standpunten van partijen. Ze bepalen hun keuze mede op basis voor de voorkeur die ze hebben voor personen en op basis van kernbegrippen. Solidariteit is het kernbegrip dat bij de PvdA hoort. Zoals criminaliteitsbestrijding en veiligheid bij de VVD hoort. Hoeveel extra agenten de PvdA ook regelt, in de beeldvorming blijft het de VVD. Het kernbegrip solidariteit lijkt op minder steun en dus minder stemmen te kunnen rekenen.

Veel mensen hebben het zelf goed en willen dat graag zo houden. Ze hebben er vaak hard en serieus voor gewerkt, gewoon als bouwvakker of gemeente-ambtenaar. En dat moet een ander ook maar doen. Die welvaart moet in stand blijven. Veel mensen willen dat alles bij het oude blijft en stemmen dus conservatiever, rechtser.

Echter, dat is maar de halve waarheid. De andere kant is dat mensen ook bang zijn hun welvaart te verliezen. Er is onzekerheid over de toekomst: hoe gaat dat straks met de studiefinanciering van de kinderen? Hoe lang blijven de huren nog stijgen? Is er straks voor mij nog wel AOW? Er zijn fundamentele vragen over de houdbaarheid van de verzorgingsstaat, terwijl voor die verzorgingstaat op zichzelf veel steun is.

Dat is niet alleen in abstracto zo, maar het blijkt ook keer op keer als bijvoorbeeld sociale zekerheidswetgeving wordt gewijzigd. Nooit is er een roep om rechten te verminderen, omdat het zo allemaal te duur is. Wel is er altijd protest als er recht verminderd wordt.

Solidariteit is altijd welbegrepen eigenbelang geweest. Tot de eerste opstapjes naar de verzorgingsstaat behoorden de ziektekassen. Omdat men wist dat men niet zelf het risico van inkomensderving door ziekte kon dragen, deelde men dat risico met anderen. Armoede en bedelarij werden niet louter uit solidariteit of mededogen bestreden, maar ook omdat men niet geconfronteerd wenste te worden met ellende en er bang voor was.

Dat is in de kern niet veranderd. De verzorgingsstaat is nodig om samen risico's te dragen en om in de samenleving “de boel bij elkaar te houden”, iedereen bestaanszekerheid op een voldoende niveau te garanderen en maatschappelijk te laten participeren.

Wat wel veranderd is, is dat de mensen die het het moeilijkst hebben in sociaal-economisch opzicht - en dat vaak al lang - daarvoor niet meer naar de stembus gaan. Het idee dat het er niet toe doet, dat het “voor mensen zoals wij” toch niet uitmaakt, heeft breed postgevat. Dat nu, is een echte bedreiging van de verzorgingsstaat. Vanaf het moment dat grote groepen kiezers niet meer stemmen en zelfs afhaken zijn ze ook geen factor meer in het politieke proces. Geen enkele partij zal zich dan nog kunnen permitteren naar die mensen om te kijken. Het heeft electoraal geen zin meer om ze te bedienen, want ze stemmen toch niet. Gevolg: de op deze manier ontstane tweedeling tussen stemmers en nietstemmers, de haves en de have-nots, wordt een onomkeerbar feit.

De verzorgingsstaat moet telkens opnieuw worden gemoderniseerd, maar dat moet zó gebeuren dat iedereen ziet dat hij belang heeft bij die verzorgingsstaat. Zodra mensen worden gemarginaliseerd, faalt de verzorgingsstaat in zijn kerntaak en zal het draagvlak afnemen.

De verzorgingsstaat dient zijn kerntaken daadwerkelijk uit te voeren. Dat wil zeggen dat iedereen - ook de zogenoemde middengroepen - moet kunnen rekenen op een financieel vangnet waar fatsoenlijk van te leven is als men buiten het arbeidsproces komt te staan. Dat betekent ook dat er gezondheidszorg en onderwijs van goede kwaliteit moet zijn, toegankelijk voor iedereen tegen een redelijke prijs. Als de verzorgingsstaat dit niet waarmaakt, zullen mensen zich er van afwenden en proberen onder de solidariteit uit te komen. Waarom meebetalen als je zelf onvoldoende profijt hebt?

De PvdA heeft daarom een dubbele opdracht: de verzorgingsstaat herijken op zo'n manier dat iedereen ziet dat hij daar belang bij heeft, en tegelijkertijd de mensen aan de onderkant ervan overtuigen dat hun stem er alles toe doet.