PvdA blokkeert lager minimumloon uit vrees voor aantasting van sociaal minimum; Aanhoudende aanvallen op wettelijk minimumloon

DEN HAAG, 12 APRIL. Vijf aanvallen op het wettelijk minimumloon in nog geen drie weken tijd. De eerste kwamen van de werkgeversvereniging VNO-NCW en de Centraal Economische Commissie (een groep topambtenaren onder voorzitterschap van de secretaris-generaal van het ministerie van economische zaken). Vervolgens deden de VVD- en D66-fracties in de Tweede Kamer een duit in het zakje en gisteren was daar de Stichting voor Economisch Onderzoek (SEO) van de Universiteit van Amsterdam. Ten slotte stelt vandaag ook de Commissie Economische Deskundigen van de Sociaal-Economische Raad (SER) het minimumloon ter discussie.

“Ook bij kennisintensieve activiteiten”, stellen de economen van de SER in hun vandaag verschenen nota Kennis en economie, “zijn arbeidsplaatsen aan te wijzen, bijvoorbeeld in de ondersteunende en dienstverlenende sfeer, die door laaggeschoolden vervuld kunnen worden. Wel zou een marktconforme prijsvorming voor deze groep mensen waarschijnlijk een steeds lagere relatieve beloning vergen.”

Secretaris economische zaken J. Klaver van de werkgeversvereniging VNO-NCW heeft uitgerekend hoeveel een ondernemer per uur aan zijn afnemers in rekening moet brengen wil het zinvol zijn een werknemer arbeid tegen het minimumloon te laten uitvoeren. Bij een effectieve jaarlijkse arbeidsduur van 1730 uur moet zo'n medewerker zijn werkgever, inclusief BTW en overheadkosten (telefoon, fax, busje voor personeelsvervoer), minimaal 28 gulden per uur opleveren.

In werkelijkheid ligt die minimumprijs volgens Klaver nog beduidend hoger (35 à 40 gulden) door ziekteverzuim, leegloop en een noodzakelijke winstopslag, want de ondernemer wil natuurlijk wel wat verdienen.

De vraag is nu: voor welke dienst wil een consument 28 tot 40 gulden per uur neertellen? Uit het onderzoek van de Stichting voor Economisch Onderzoek blijkt dat rijke tweeverdieners, die 800 gulden per maand overhouden, gemiddeld toch maar 12,50 gulden per uur overhebben voor een huishoudster. Klusjesmannen, boodschappenjongens, pizzabezorgers en kinderoppassers willen ze niet zo heel veel meer betalen. Want informeel dienen deze dienstverleners zich al voor vijftien gulden per uur aan.

Topambtenaren, werkgevers en hoogleraren hebben het kennelijk opgegeven dat er na vijftien jaar werkloosheidsbestrijding zonder aantasting van het wettelijk minimumloon nog een reservoir aan laagbetaalde banen in het bedrijfsleven is aan te boren. Dat bedrijfsleven heeft juist de neiging steeds meer laagwaardige arbeid uit te stoten. Technologische vooruitgang betekent in Nederland volgens de nota Kennis en economie vooral investeren in kostenbesparing. Lees: meer omzet met minder werknemers.

Omdat zelfs bij meer dan 3 procent economische groei per jaar de groei van de werkgelegenheid onvoldoende is om het aantal werklozen terug te dringen en omdat moet worden gevreesd dat bij een volgende economische inzinking die werkloosheid weer omhoog schiet, hebben economen en ambtenaren nu de aanval geopend op het zwarte circuit. Witte dienstverlening moet kunnen concurreren met zwarte, menen zij.

Volgens werkgeverssecretaris J. Klaver kan dat. Als het wettelijk minimumloon wordt verlaagd tot 70 procent van het huidige niveau en tegelijk de belastingen en sociale premies (de wig) op dit lage niveau helemaal worden afgeschaft, dan kan de rekening voor de consument voor een uur dienstverlening worden verlaagd van 28 tot 12 gulden. Die prijs is concurrerend met de 15 gulden die gemiddeld zwart voor vergelijkbare diensten wordt gerekend. “Als alleen de werkgeverspremies worden afgeschaft, kom je ook heel dicht bij die 15 gulden,” zegt Klaver desgevraagd.

Het marktonderzoek van de Stichting voor Economisch Onderzoek toont aan dat er dan inderdaad een reservoir van nieuwe formele werkgelegenheid kan worden aangeboord. Alleen al bij één- en tweeverdieners tussen de 20 en 50 jaar oud valt dan voor 123.000 arbeidsjaren werk te creëren.

De argumentatie lijkt overtuigend. Als meer mensen gaan werken, hoeven minder uitkeringen te worden betaald, kunnen belastingen en sociale premies omlaag en wordt het voor ondernemers lonender meer werknemers aan te nemen.

In de toekomst wordt het probleem alleen maar nijpender. De topambtenaren van de CEC verwachten dat van het toekomstige arbeidsaanbod zelfs een derde tot de helft is aangewezen op het onderste segment van de arbeidsmarkt. Nu werkt in dit segment nog maar een zesde van de werkende bevolking. De CEC vindt dat dit gegeven alleen al “noopt tot extra maatregelen die duurzaam leiden tot inschakeling van minder produktieven”.

De topambtenaren konden niet vrijuit filosoferen. Ze waren gebonden aan een strakke taakopdracht. Wim Kok cum suis hadden het CEC-presidium gevraagd beleidsvarianten te ontwerpen voor verruiming van de werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Daarbij moest rekening worden gehouden met in het regeerakkoord gekozen beleidsinstrumenten en randvoorwaarden.

Het regeerakkoord is wet. Ook voor topambtenaren. Die mochten het minimumloon niet afschaffen. In lijn met het regeerakkoord konden ze niet verder gaan dan 'dispensatie' voor bepaalde categorieën werknemers, met name langdurig werklozen en schoolverlaters zonder afgeronde opleiding. Voor deze werknemers met relatief lage produktiviteit willen de topambtenaren gedurende vier tot zes jaar ontheffing van het minimumloon geven. Bovendien pleiten ze in een bepaalde variant voor verlaging van belastingen en sociale premies met 4000 gulden per jaar voor mensen die werken voor 70 tot 85 procent van het wettelijk minimumloon. Daarboven loopt deze “afdrachtkorting” langzaam af.

De loonkosten van iemand die wordt aangenomen tegen bijvoorbeeld 80 procent van het wettelijk minimumloon zouden daardoor uitkomen op 16.000 gulden per jaar. (Ter vergelijking: de loonkosten op het minimumloonniveau bedragen nu 34.000 gulden.) Bij een arbeidsduur van 1730 uur à 9,25 gulden, inclusief BTW en overhead en winstopslag, komt de minimale formele prijs van de desbetreffende dienst dan uit op dezelfde 12 gulden als in het rekenvoorbeeld van Klaver.

De tendens is duidelijk. Het minimumloon staat opnieuw onder sterke druk van economen en ambtenaren.

De parlementaire meerderheid wist eerdere aanvallen steeds af te slaan. De laatste dateert van 1990. Toen bracht de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid een studie uit: Werkend perspectief. Daarin werd eveneens gepleit voor individualisering van het minimumloon. Van de alleenverdieners, zo had de WRR uitgerekend, heeft 97 procent een looninkomen van meer dan 115 procent van het minimumloon. Toen de wet op het minimumloon in 1969 van kracht werd, luidde het uitgangspunt nog dat daarvan een heel gezin moest kunnen worden onderhouden. In de praktijk bleek die situatie zich dus nauwelijks voor te doen. En dat was voor de WRR reden om te pleiten voor een 30 procent lager minimumloon. Als een zware kei viel het rapport in de politieke vijver. Even spatte het water op, daarna was het oppervlak weer rimpelloos.

Ook ditmaal zal dat gebeuren. VVD en D66 zijn weliswaar bereid het wettelijk minimumloon ter discussie te stellen, maar de PvdA blokkeert dat. Uit wantrouwen, zo blijkt. Net als de grootste vakcentrale FNV is de PvdA bang dat na het minimumloon ook het sociaal minimum zal sneuvelen.

VVD en D66 zullen alleen hun zin krijgen als ze het regeerakkoord en daarmee het kabinet opblazen. Een alternatieve coalitie, die wel wil tornen aan het wettellijk minimumloon en kan rekenen op een parlementaire meerderheid is echter in zicht. Ook het CDA wil het wettelijk minimumloon immers ter discussie stellen, zo blijkt uit de eerste reacties op de uitgelekte plannen van topambtenaren.