Paars en groen

“VANUIT DEZE UITGANGSPUNTEN wordt met kracht gewerkt aan nieuwe accenten binnen de bestuurlijke strategie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.” Het zou een zin kunnen zijn uit de gisteren gepresenteerde nota van minister Van Aartsen van landbouw. In werkelijkheid komt de zin echter uit het inleidende hoofstuk bij de landbouwbegroting van twee jaar geleden. Toen was het minister Bukman (CDA) die voor verandering tekende, nu is het de VVD'er Van Aartsen. Waarmee maar gezegd wil zijn dat met of zonder 'paars' ook op het ministerie van landbouw de 'nieuwe aanpak' van alle tijden is.

Door middel van de nota met de weinig originele titel 'Dynamiek en vernieuwing' heeft minister Van Aartsen zijn beleidsvoornemens voor de komende jaren gepresenteerd. Ondanks de titel valt toch vooral de continuïteit op. Van Aartsen gaat verder op de route die Bukman reeds was ingeslagen. Minder dwingende regelgeving en gerichtere vormen van subsidiëring vormden het uitgangspunt van Bukman. Het zijn exact dezelfde voornemens van Van Aartsen. Ook deze wil een overgang van generieke regelingen naar specifieke subsidies.

DE HOOFDLIJN VAN het Nederlandse landbouwbeleid blijft ongewijzigd. Dat is niet verwonderlijk aangezien dit beleid vooral in Brussel wordt bepaald. Toch is het gezien de nieuwe politieke constellatie niet zonder betekenis om dit vast te stellen. Vanaf 1958, na de Mansholt-jaren, is het departement van landbouw altijd in christen-democratische handen geweest. Kortom, als de met de komst van 'paars' beloofde nieuwe politieke cultuur zich ergens had kunnen manifesteren, dan was het op dit door het CDA gedomineerde terrein geweest. Aanvankelijk leek dit dan ook rigoureus te gebeuren, want in de ontwerp-versie van het regeerakkoord van PvdA, VVD en D66 was niet eens een paragraaf over landbouw opgenomen. Een omissie die in de definitieve versie werd goedgemaakt toen landbouw alsnog een hoofdstukje met twee zinnen kreeg toebedeeld.

De personele bezetting van het departement leek op het eerste gezicht evenmin een bewijs van compassie met de sector. Niet de traditionele 'boerenjongen' maar iemand die zijn sporen in de Haagse ambtenarij had verdiend, werd minister van landbouw. Dat dit voor de landbouw niet bij voorbaat negatief hoeft te zijn, heeft Van Aartsen nu met zijn nota bewezen.

De betrekkelijk milde reactie van de grote landbouworganisaties op de voornemens van Van Aartsen is wat dit betreft illustratief. Het zegt vooral veel over de onvermijdelijkheid van het beleid dat wordt voorgesteld.

HET PROCES VAN GELIJKSTELLING met de rest van het bedrijfsleven verloopt langs de weg van de geleidelijkheid. Maar ontegenzeggelijk zal het er uiteindelijk toe leiden dat de diverse speciale faciliteiten voor de landbouwsector zullen verdwijnen. Het hoort bij een bedrijfstak die afscheid aan het nemen is van een rigide subsidiestelsel en op weg is een 'echte' marktpartij te worden.

Onvermijdelijk zal dit ook personele gevolgen hebben. Zoals in de nota van minister Van Aartsen staat, heeft 55 procent van de bedrijven met een bedrijfshoofd ouder dan vijftig jaar geen opvolger. De meeste van deze bedrijven zullen de komende tien tot vijftien jaar worden gesloten. Bij het normaliseringsproces hoort ook dat degenen die hiervan het slachtoffer worden in principe zijn aangewezen op het gewone sociale-zekerheidsstelsel. Van Aartsen valt dan ook te prijzen voor het feit dat hij niet is gezwicht voor de druk om de reeds bestaande aparte regelingen verder op te tuigen.

DAT HET MINISTERIE van landbouw zelf ook niet aan inkrimping ontkomt, was al langer voorzien. Tot 1998 zullen zevenhonderd formatieplaatsen op het departement verdwijnen. Een aanzienlijk aantal, maar desondanks zullen dan nog altijd tegen de tienduizend ambtenaren in Nederland zich bezighouden met het landbouwbeleid.

Met de nota van minister Van Aartsen is sinds gisteren de 'paarse' visie op de toekomst van de landbouw bekend. Geen doorbraak, maar accenten die soms net iets anders zijn gezet, bijvoorbeeld als het gaat om de natuurcomponent. Verfrissend is verder het idee om ook langs minder traditionele wegen met de werkers in de agrarische sector in contact te treden. Maar overheersend blijft toch de continuïteit die de nota uitstraalt. Confrontatiepolitiek zou slechts averechts werken.