'Mensen durven zich nu tegen de islam uit te spreken'; Algerijnse samenleving polariseert

De Algerijnse burgeroorlog polariseert. Sinds een half jaar mengt het leger zich niet langer halfhartig in de strijd, maar zet het alle middelen in tegen de moslim-strijders, die nu zware verliezen lijden. Vrede is, ondanks alle voorstellen voor een dialoog, ver weg.

Anderhalf jaar geleden nog werden de jonge Algerijnse legerofficieren in de kazernes door hun meerderen met peptalk bestookt om het moreel op te krikken. Maar een paar maanden geleden kwam er uit de lagere rangen het dringende verzoek om daarmee op te houden. “Dat hebben we helemaal niet nodig. We maken ze zó wel af.” 'Ze' zijn de naar schatting 10.000 mujahedeen, de strijders die oorlog voeren tegen de overheid om de macht over te nemen en het maatschappelijke systeem in radicaal-islamitische richting te hervormen. Zij worden geholpen door naar schatting twintig- tot dertigduizend man, die voor de logistiek moeten zorgen.

De opmerkingen van de jonge officieren laten zien in welke mate de Algerijnse samenleving in nog geen drie jaar tijd is gepolariseerd. Steeds meer mensen kiezen partij, al dan niet door de omstandigheden gedwongen. Desnoods voor de overheid, die ze tegelijkertijd vervloeken. Volgens Mohammed Saleh, die Engels doceert op een lyceum in Algiers, kon nog maar een paar jaar geleden geen mens in Algerije iets tegen de islam zeggen, en zeker niet tegen de shari'a (de koranwetgeving). “Zelfs de communisten durfden dat niet. Ook zij hielden vol dat zij gelovig waren. Maar nu hoor je veel vaker mensen die zich anti-islamitisch uiten, als reactie op de terroristische acties van GIA en FIS.”

De extreme moslim-groepen FIS (en zijn gewapende arm AIS) en GIA, alsmede de strijdkrachten volgden in snel tempo elkaars voorbeeld: zij maakten van hun aanhangers moordenaars en goedpraters van ernstige misdaden. Regelmatig reageren de strijdkrachten op gruwelijke acties van de mujahedeen met blinde terreur tegen mensen van wie vermoed maar niet bewezen is dat zij met de strijders sympathiseren. Door de groeiende haat en vijandschap is het onderscheid tussen goed en kwaad vervaagd.

Tot vorig jaar probeerde het leger de oorlog tegen de extreme moslim-groepen zoveel mogelijk over te laten aan de politie en de gendarmerie. Het leger beperkte zijn acties tot korte offensieven, waarna men zich weer in de kazernes terugtrok. De geterroriseerde burgerbevolking klaagde dan ook steen en been dat de strijdkrachten de oorlog “niet serieus” voerden en hele wijken en streken in handen lieten van de extremistische groepen, die straffeloos hun gang konden gaan.

Van hun kant dachten de moslim-strijders dat de dienstplichtigen - zoals de rest van de samenleving - in meerderheid niet tegen hen gekant waren. Zij riepen hen op te deserteren en zij beperkten aanvankelijk hun aanslagen zoveel mogelijk tot hun direct aanwijsbare vijanden en hun familieleden: de vertegenwoordigers en helpers van het regime, alsmede alle aanhangers van de Hezb Franca - de Partij van Frankrijk, zoals de Franstalige seculier-gezinden worden genoemd. Maar bij hun geslaagde overvallen op legerkazernes en -depots om aan wapens te komen werden de militairen, inclusief de dienstplichtigen, op de wreedst mogelijke wijze gedood.

De mujahedeen voerden hun terreuracties op toen bleek dat zij de oorlog niet zo gemakkelijk konden winnen en het aantal deserties tegenviel. Steeds vaker werden ook simpele, niet-politieke burgers slachtoffers. Die uitbreiding van de terreuracties diende twee doelen. In de eerste plaats om tegenover concurrerende groepen en leiders aan te tonen wie het meest effectief de oorlog voerde, waardoor men nieuwe recruten kon winnen. In de tweede plaats om het maatschappelijke leven zodanig te ontwrichten, dat de overheid tot capitulatie zou worden gedwongen.

Deze dubbele doelstelling kwam op 11 februari duidelijk naar voren in een communiqué van het AIS, de gewapende arm van het FIS. In zijn krant El-Fath el-Moubine liet het AIS weten dat “de Soldaten Gods in staat zijn andere vormen van jihad (de heilige oorlog) te gebruiken om de vijanden van de religie angst aan te jagen (...) Honderden jongeren staan klaar om op de weg naar God zichzelf op te offeren teneinde de ongerechtigheid te bestrijden. Moord noch martelingen zullen de Algerijnse moslim-natie onder leiding van het FIS breken.”

Daarnaast overschreden de politieke leiders van het FIS een onzichtbare grens, toen zij voortdurend bleven hameren op de noodzaak om in het kader van een politieke regeling al diegenen te bestraffen die “oorlog tegen de Algerijnse moslim-natie hebben gevoerd”. Daardoor veranderde langzaam maar zeker de sfeer binnen het leger. Steeds minder militairen voelden zich gerust over hun eigen toekomst als de extreme moslim-groepen de macht zouden overnemen.

In augustus vorig jaar werden de twee belangrijkste FIS-leiders, Abassi Madani en Ali Belhadj, uit de gevangenis gehaald en naar een bewaakte, luxueuze regeringsvilla in Algiers overgebracht, als onderdeel van de pogingen van president Zéroual om met het FIS tot een vergelijk te komen. Voor het eerst brachten de generaals dat niet als een voldongen feit, maar gaven zij hun ondergeschikten een briefing. Dezen kregen te horen dat niemand zich zorgen hoefde te maken; alles was onder controle en er was geen sprake van capitulatie voor “de terroristen”. Want de generaals en kolonels moeten veel meer rekening houden met het lagere kader, de sergeants en de luitenants. Die leveren het leeuwedeel van de strijd en zij zijn de eersten die sneuvelen. FIS, AIS en GIA kennen precies hetzelfde fenomeen. Ook daar kunnen de leiders niet zo maar bepalen wat hun goed dunkt, omdat anders de strijders hen afvallen. Maar die 'democratisering' van de oorlog maakt het ook moeilijker vrede te sluiten.

Vrede, gebaseerd op een politiek compromis dat het FIS ruimschoots in zijn wensen tegemoet komt, wordt sinds lang bepleit door de twee grootste seculiere oppositiepartijen, FLN en FFS. Samen met de vertegenwoordiger van het FIS stelden zij in januari 'het Platform van Rome' op. In legerkringen noemde men deze overeenkomst “het Diktat van een groep die de oorlog gewonnen heeft”. De militairen achtten dat een grote vergissing, want zij hadden helemaal niet het idee dat zij de oorlog hadden verloren. Generaal Lamari, de chef-staf van het leger en een van de leidende éradicateurs (zij die de gewapende moslim-groepen met wortel en tak willen uitroeien), had al in de herfst vorig jaar betoogd dat het onzin is te denken dat een oorlog altijd op een compromis moet uitlopen. “Oorlogen worden óf gewonnen óf verloren.”

Intussen is 'Rome' een gepasseerd station, ingehaald door de feiten. Ten tijde van dat overleg vormden de islamitische strijders in de maquis nog een militaire bedreiging. Bovendien werkten het Amerikaanse State Department en de Franse socialisten eendrachtig samen om een politieke dialoog in Algerije op gang te krijgen, waardoor het FIS op zijn minst een deel van de macht zou krijgen. Sindsdien echter hebben de mujahedeen rake klappen gehad en is de houding, zowel in Washington als in diverse Westeuropese landen, ten aanzien van de gewapende moslim-groepen sterk in hun nadeel veranderd.

Ook op militair gebied verslechterde hun situatie. De mujahedeen werden almaar verder de onherbergzame gebieden ingedreven. En in een aantal streken konden zij zich ook niet langer in de dorpen bevoorraden, omdat daar de door het leger bewapende burger-milities hun de weg versperden. De eind vorig jaar door een gewapende moslim-groep ontvoerde Berber-zanger Lounès Matoub vertelde na zijn vrijlating dat hij en zijn bewakers soms een paar dagen niets te eten hadden, hoewel zij vlakbij een dorp zaten. “Totdat ze een auto overvielen die met jam was geladen. Toen aten we twee dagen alleen maar jam.”

Niet alleen stagneerde de voedselbevoorrading, ook de aanvoer van wapens en munitie droogde op doordat de Westeuropese landen sinds begin dit jaar veel strenger optraden. In Spanje, België en Frankrijk werden netwerken van de GIA opgerold, die wapens naar Algerije smokkelden. En onlangs werden twee zoons van Abassi Madani in Duitsland gearresteerd wegens illegale handel in wapens voor de GIA.

De toegenomen druk op de moslim-strijders leidde al snel tot hevige onderlinge ruzies. Men gaf elkaar de schuld van de problemen. FIS, AIS en GIA staan er veel slechter voor dan een half jaar geleden. Voor het eerst spreken buitenlandse politici niet langer over “de onvermijdelijke overwinning van de islamisten in Algerije”. Zelfs de leiders van het FIS realiseren zich dat zij de oorlog met militaire middelen niet kunnen winnen. Dus heeft de nieuwe leider van het AIS, Merzak Madani, nu al tweemaal president Zéroual opgeroepen te onderhanden, opdat het conflict “op een snelle, legale en afdoende manier wordt opgelost” en “om te redden wat er te redden valt”.

Hij heeft zelfs openlijk toegegeven dat bepaalde mujahedeen over de schreef zijn gegaan. Sinds enkele maanden proberen FIS en AIS namelijk zich een beter imago aan te meten, in het besef dat de gruweldaden van de mujahedeen zowel in het binnen- als in het buitenland een ernstige politieke belasting vormen.

Voorlopig geven de generaals op deze signalen niet thuis. Eind vorige maand boekte het leger op vier verschillende plaatsen successen, die echter volgens waarnemers ter plaatse sterk overdreven waren. De Algerijnse media krijgen dit soort berichten rechtstreeks van de hoogste militairen en mogen die alleen met hun toestemming - “Merci, mon général” - publiceren. Gewoontegetrouw zwegen de strijdkrachten. Zij bevestigden noch ontkenden dat er onder de mujahedeen 2.800 doden zouden zijn gevallen.

De generaals zijn nog steeds, zoals voorheen, bereid de dialoog met de vijand te hervatten, maar wel op hún voorwaarden. Die voorwaarden zijn dat het FIS officieel afziet van elk terrorisme en geweld, en niet op basis van de godsdienst politiek bedrijft, maar op basis van een puur politiek programma.

De generaals denken zo een wig te kunnen drijven tussen de politieke en de militaire vleugels van de extreme moslim-groeperingen. Want als de leiders van het FIS de voorwaarden van de generaals aanvaarden, zijn ze óf voor hun aanhang verraders, óf ze worden een ongevaarlijke politieke beweging.

Doen ze niet wat de generaals hun voorstellen - en dat is meer dan waarschijnlijk - dan gaat de oorlog gewoon door.