Koerdisch parlement

DE WERELD HEEFT Al heel wat regeringen in ballingschap gekend. Maar een parlement in ballingschap oprichten, zoals de Koerden vandaag in Den Haag hebben gedaan, is een geval apart. Op de keper beschouwd vormt het een innerlijke tegenstrijdigheid. Want wat is een parlement zonder vrije en geheime verkiezingen? Volkenrechtelijk bezien is de betekenis van de oprichting van het Koerdische parlement naar het zich laat aanzien nihil. De betrokken Koerden ontkennen ook afscheiding van Turkije na te streven. Daarom hebben ze juist een parlement en niet een regering in ballingschap geformeerd. De netelige vraagstukken van al dan niet (of een beetje) erkenning zijn hier niet aan de orde.

Zolang het Koerdische parlement zich onthoudt van het oproepen tot geweld of andere onaanvaardbare activiteiten heeft de Nederlandse overheid er niet meer of niet minder bemoeienis mee dan met welke andere vreedzame vereniging van vreemdelingen. Er zijn in ons land trouwens reeds oppositionele organisaties uit andere landen (Iran, de Filippijnen) gevestigd.

DE VREEMDELINGENWET laat ruimte voor legale activiteiten van legale vreemdelingen. De vraag of deze activiteiten - en dus de vreemdelingen - ongewenst zijn is, zoals werd uitgedrukt bij de totstandkoming van deze wet in 1965, niet synoniem met “door de regering niet op prijs gesteld”. Toch drukken de internationale betrekkingen van een land onmiskenbaar hun stempel op het toelatingsbeleid ten aanzien van politieke activiteiten van buitenlandse origine.

In het geval van het Koerdische parlement in ballingschap heeft Turkije, zoals was te verwachten, bezeerd gereageerd. Maar als mede-lidstaat van het Europees verdrag voor de mensenrechten zal het de Nederlandse traditie van tolerantie op zijn minst moeten respecteren. De vraag is veeleer wat Nederland met het alternatieve parlement aan mogelijke contestatie heeft binnengehaald. Tolerantie betekent hier niet in de laatste plaats een verhoogde oplettendheid.