Jonge kunst: erotiek van de glanzende buitenkant

Peiling, groepstentoonstelling van jonge kunst: Inez van Lamsweerde, Carli Hermès, mej. C. Tollens, Pepijn Provily, Micha Klein, Piet Hein Eek, Jeanine Keizer, Harma Heikens, Tempi & Wolf. T/m 21 mei. Groninger Museum, Groningen.

Directeur Frans Haks van het Groninger Museum hanteerde bij de selectie van jonge kunst voor Peiling 4 een eenvoudig criterium: zodra iets leek op kunst zei hij 'nee'. De kunst die hij wil laten zien mag niet op kunst lijken, zo zette hij uiteen bij de voorbezichtiging. In de hele 20ste eeuw, aldus Haks, zetten kunstenaars zich af tegen de maatschappij, en tegen wat er van de kunst werd verwacht, totdat het een gewoonte was geworden om zich af te zetten. Haks signaleert in de laatste jaren een tegenovergestelde tendens: jonge beeldende kunstenaars zetten zich niet meer af, maar richten zich juist op datgene waar vraag naar is. Deze generatie staat midden in de samenleving en vindt haar heil binnen de consumptiemaatschappij, in de woorden van conservator Han Steenbruggen in de catalogus.

De Peiling-tentoonstellingen, waarvan de vijfde en laatste volgend jaar in het Stedelijk Museum wordt gehouden, worden gesponsord door Shell. Vijf musea komen aan de beurt. De eerste drie waren het Haags Gemeentemuseum, Museum Boymans-van Beuningen en het Centraal Museum in Utrecht. Ieder museum organiseert de tentoonstelling vanuit een eigen optiek. De enige eis is dat de exposanten niet ouder zijn dan 35 jaar.

Al jaren concentreert het beleid van Haks zich op uitingen van kunst die de grens tussen kunst en design, tussen 'high art' en 'low art', zoals het in postmoderne terminologie heet, doen vervagen. Zo ook bij Peiling 4. Een aantal van de exposanten, Inez van Lamsweerde, Carli Hermès en mej C. Tollens zoals ze zich noemt, heeft succes als reclame- en modefotograaf bij tijdschriften als Elle en Art View. Piet Jan Eek en Jeanine Keizer vervaardigen meubels en gebruikskeramiek. Ook het werk van de 'autonome' kunstenaars Micha Klein en Harma Heikens doet denken aan reclame en aan Walt Disney-tekenfilms.

Toch is het de bedoeling dat we dit werk, dat niet mag lijken op kunst, wél benaderen als kunst. Zo vergelijkt Steenbruggen de exposanten in hun 'bevlogenheid' met de vroegere avantgardisten. Hun werk zou kwaliteiten bezitten die je normaal gesproken niet vindt bij toegepaste kunst: een herinnering aan verloren onschuld en aan vervlogen idealen, of een hang naar religie (het meest expliciet bij het duo Tempi & Wolf). Ook de kitscherige paradijs-taferelen met plastic bloemen en pratende knuffelbeesten van computerkunstenaar Klein, moeten 'een gevoel van beklemming' oproepen.

Deze aan reclame verwante objecten hebben dus wel degelijk een diepere betekenis, aldus de organisatoren. Ze zijn méér dan hun glossy buitenkant, en daarom hangen ze ook in het museum. Maar die diepere betekenis ontgaat mij nu juist. Neem bijvoorbeeld het werk van mejuffrouw Tollens. Zij exposeert grote glanzende foto's waarin de kleur rood overheerst; zij heeft hiertoe de museumzaal vuurrood laten schilderen. Aan één wand hangt haar 'monden-serie'. Tussen opengesperde lippen omklemmen hagelwitte tanden een zwarte kers met een knoop in het steeltje. In een tweede foto zit een kwak vermorzelde lipstick tussen de tanden, er glijdt een druppeltje speeksel langs de kin omlaag. Een paarsroze bloemblaadje bedekt een uitgestoken tong, of een lipstick steekt uit de mond als was het een tong. De kleinste details zijn scherp zichtbaar, iedere porie in de huid, ieder donshaartje in de bovenlip, ieder nerfje in het fluwelen bloemblaadje. Knappe, virtuoze fotografie. Maar is het meer dan dat? Volgens Steenbruggen wel: erotiek en sensualiteit staan volgens hem centraal in deze foto's; en ze hebben 'een graad van fragiliteit en kwetsbaarheid'. Maar die kwetsbaarheid en erotiek zie ik er niet in. Tollens' foto's zijn juist onmenselijk in hun perfectie: hard, agressief, kil, en dus verre van erotisch.

Zo is het met het meeste werk op deze expositie. Van Lamsweerde is ongetwijfeld een getalenteerde modefotografe, maar haar computermanipulaties beginnen na de eerste verrassing snel te vervelen. Een man met vrouwenhanden, een peuter met een mond van een 25-jarige jongen, een vrouw met het gezicht van een etalagepop en ontdaan van tepels en schaamlippen: al dit werk is al eerder op diverse plaatsen te zien geweest. Het zijn visuele foefjes, gimmick, meer niet.

De foto's van Van Lamsweerde, Klein, Hermès, Tollens, en, in iets mindere mate ook de zwartwit foto's van Pepijn Povily, tonen een gesloten, machinaal perfecte wereld. Hoe deze beelden zijn gemaakt is niet te zien, de toeschouwer kan er geen vat op krijgen. Hij wordt in een passieve rol gedwongen, en van een werkelijke beleving van de objecten is geen sprake. Je kunt er alleen naar staren, in verwondering of verbazing. Achter de glanzende buitenkant houdt het op.