Een echt virus heeft wel een beetje meer tijd nodig

Een virus zoals in Outbreak, dat binnen een dag mensen ziek maakt en hen binnen een paar dagen doodt, is zelf ook ten dode opgeschreven. Virussen hebben de levende cellen en de energievoorziening van hun warme gastheer nodig om zich te vermenigvuldigen. Ze gebruiken bloed, sperma, speeksel en uitgehoeste druppeltjes als transportmiddel om een nieuwe gastheer te bereiken. Maar een dode gastheer niest, neukt en bloedt niet meer.

Zelfs de snelle griepveroorzakende influenzavirussen hebben twee of drie dagen tijd nodig voor ze de patiënt in bed hebben. Een virus doet er ongeveer twaalf uur over om een cel binnen te dringen, er het commando over te nemen, zich te vermenigvuldigen, en met duizenden nakomelingen uit de cel te barsten. Pas na een paar cycli is de gastheer patiënt. In Outbreak zien de virologen dat het Motaba-virus in slechts twee uur een nieuwe generatie creëert. Zo'n virus bestaat niet.

Een echte bedreiging voor de mensheid is een nieuw virus met de besmettelijkheid van het influenzavirus en de incubatietijd (tot meer dan tien jaar!) en de dodelijkheid van het aidsveroorzakend virus HIV. Tegen die combinatie zal het grootste deel van de mensheid het afleggen.

Toch heeft het snelle virus in Outbreak een analogie in de werkelijkheid. In 1967 brak in het Duitse Marburg een vreemde ziekte uit onder vaccinbereiders van de Behring Werke. In 1976 gingen een paar dorpjes in Soedan en Zaïre te gronde door een vreemde virusziekte. In 1989 dook een variant ervan op in een groep uit de Filipijnen geïmporteerde apen die met bestemming proefdier in quarantaine nabij Washington DC verbleven.

Het voor deze verontrustende infecties verantwoordelijke Ebolavirus, genoemd naar een vallei in Zaïre, is in de film omgedoopt in Motaba-virus. Het Motabavirus op de plaatjes onder de elektronenmicroscoop in de film lijkt sprekend op Ebola. Ebola veroorzaakt koorts met bloedingen, zoals in de film, maar het is trager, minder besmettelijk en in de laatste varianten minder dodelijk virus dan Motaba.

De speurtocht die de virologen in de film ondernemen naar de eerste patiënt, naar de contacten met volgende patiënten en naar de (in dit geval dierlijke) ziektebron verloopt volgens de regels van de infectieziektenbestrijding. Het militaire optreden tegen de bevolking is echter contra-produktief. De eerste patiënt en de dierlijke ziektebron zijn van belang om alle infectiesporen te kunnen volgen, om te zien hoe ernstig de ziekte verloopt en om te onderzoeken hoe dierlijke en menselijke afweersystemen op het virus reageren.

Naar het eind toe wordt Outbreak virologisch gezien ongeloofwaardig. De film dankt zijn happy end aan een anti-serum dat onwaarschijnlijk snel beschikbaar komt. De bereiding van anti-serum duurt in werkelijkheid enige etmalen. Bovendien zijn er maar weinig virussen (bijv. hondsdolheid) waar een anti-serum tegen werkt en die hebben allemaal een lange incubatietijd.