Close-up

Ook aan het voeteneinde: een foto van de jongens, Denemarken, 1983, de jongste acht, de oudste elf.

In een stadje in Jutland, op weg naar Legoland, hadden we bij een dumphandel twee militaire petjes voor ze uitgezocht. Mijn vader droeg zo'n petje toen hij nog bij de luchtmacht zat en ik dacht dat het een kepie werd genoemd, maar een kepie zegt hij (toch maar even gebeld) is iets heel anders; het was een veldmuts. Hoe dan ook: zo'n omgekeerd bootje. In het groen.

Bij zacht avondlicht zette ik ze bij elkaar voor een struik op de camping. Ze hadden de veldmuts op en ik zei dat ze zo gemeen mogelijk moesten kijken.

Bij de ene is dat knap gemeen. Die heeft een staalharde blik in zijn ogen en een verbeten trek om zijn mond. Die hoef je maar een kalasjnikov om te hangen of hij maakt propaganda voor de goede zaak in Bosnië. Als hij tenminste zijn verbrande neus niet zo opzichtig had opengekrabd.

Bij de andere lukt het minder. Hij knijpt zijn ogen wel toe, maar dat verandert niets aan het glimlachje dat zich om zijn lippen plooit. Die is verlegen. Te verlegen om gemeen te zijn? In ieder geval te verlegen om te doen alsof.

Ja, zo ver is het al met ons gekomen. Wij herinneren ons de jeugd van onze kinderen. We zien hoe jong ze waren en zo jong waren we zelf eigenlijk ook.