Circus Carré beheerst de kunst van het mislukken

Voorstelling: Circus Carré. Gezien: 11/4 Malieveld, Den Haag. Aldaar t/m 23/4. Daarna tournee t/m 19/11.

De vrouw van de dompteur, moet de bezoeker van het Nederlandse Circus Carré weten, heeft sommige van zijn leeuwen, panters en tijgers nog met de fles grootgebracht. En haar man maakt gebruik van de speelvreugde en de karaktereigenschappen van zijn roofdieren. Bovendien komt het olifantennummer-met-St. Bernhard-honden voort uit een bijzonder contact met dieren en respect.

Zo wordt in het programmaboekje van het nieuwe Nederlandse Circus Carré iedere eventuele wanklank met de mantel der dierenliefde bedekt. Daar konden de tientallen zwijgende actievoerders die zich voor de première naast de ingang hadden opgesteld, maar weinig aan verhelpen.

Circus Carré is de reizende versie van het Wereldkerstcircus dat jaarlijks in het Amsterdamse Carré te zien is, en ontleent zijn naam dan ook aan de samenwerking tussen dat theater en producent Henk van der Meijden. Het circus heet ook zo omdat het een 'ode' wil zijn aan de legendarische circusdirecteur Oscar Carré, die aan het einde van de vorige eeuw eigen circusgebouwen liet oprichten in Keulen, Wenen en Amsterdam. Dus is de tent sfeervol gestreept met logetjes van pluche, schettert het 12-koppige orkest en is er een spreekstalmeester die iedere artiest 'de beste van de wereld' noemt. En dus zijn er dieren, zoals het een ouderwets circus betaamt.

Of dat laatste noodzakelijk is valt te betwijfelen. De olifantenact van Wenell Huber imponeert, omdat Huber zijn dieren nauwelijks aanraakt en ze weinig aankijkt. Zo weet hij althans de suggestie te wekken dat de beesten niets doen dat zij niet willen, zelfs als een St. Bernhard per trappetje op een olifant klimt, of de olifanten heel onnatuurlijk met hun achterwerk op een tonnetje moeten. Maar de vijf tijgers, drie leeuwen en twee zwarte panters uit de roofdierenact zijn minder leuk dan de Lucky-Luke-motoriek van hun dompteur, en de Arabische volbloedhengsten en de Andalusiërs uit de twee dressuurnummers zijn prachtig gebouwd, maar kijken iets te angstig naar hun bazin en grand dame Yasmine Smart, die de zweep hanteert als een anti-autoritaire, maar toch kille moeder.

Circus Carré doet vooral aan de oude Europese circussen denken omdat de misschien wel oudste circusact ter wereld met grote regelmaat wordt uitgevoerd: het mislukken van het kunstje. Alle artiesten van Carré zijn daar, bedoeld of onbedoeld, voortreffelijk in. Met uitzondering van de Mongoolse slangenmeisjes mislukt in iedere act wel wat.

Al in het eerste nummer gaat het echt mis, als bij een indrukwekkend springplanknummer met veel drie- tot vijfdubbele salto's een sprong op een van papier-maché nagebouwde haan mislukt. De haan breekt, en de artiest holt met van pijn vertrokken gelaat achter het gordijn. In de tweede act met de Spaanse broers Alvarez op het slappe koord wordt ook gevallen, maar dat is om de spanning op te laden voor een pijnlijke, schrijlingse sprong die later uitstekend lukt. Op het strakke koord dat later in de hoge tentnok hangt wordt bijna-gevallen, wat door het ontbreken van een vangnet en veiligheidslijnen nog benauwender is dan het moment waarop de Columbiaanse 'Guerrero's' op dat koord over elkaar heen springen. De allerlaatste act, een 'blik op de toekomst van het circus', zou inderdaad feilloos in het moderne Canadese Cirque du Soleil passen. Zes Russische oud-turners wentelwieken prachtig rond een rek hoog in de tent om zich vervolgens in de handen van een trapezewerker te laten vallen. Dit moet, gezien de strakke regie op de dramatische muziek, ónbedoeld drie keer mis zijn gegaan.

Het allermooist mislukt een kunstje van de jongleur Antonio Alvarez, als hij vijfmaal om zijn as wil draaien voordat hij een kegel opvangt. Steeds weer gaat het mis. Antonio begint te ijsberen over de randen van de piste en kijkt het publiek zo smartelijk aan dat dat maar al te graag troostend applaudiseert. Dan leest Antonio quasi-komiek de gebruiksaanwijzing van zijn kegel, om hem vervolgens zonder blikken of blozen de lucht in te gooien en zijn vijf pirouettes te maken. Het publiek voelt eerst mee, blijkt bedot en kan dan opgelucht applaudiseren: de artiesten van Carré zijn in die traditionele charme van het circus zo bedreven, dat hun circus geen dieren nodig heeft om authentiek te lijken en adembenemend te zijn.