Bonden vrezen te lage uitkering podium- en beeldende kunstenaars; Wet op inkomen kunstenaars

DEN HAAG, 12 APRIL. Staatssecretaris Nuis van cultuur en minister Melkert van sociale zaken komen binnenkort met een ontwerp voor een wet waarin het inkomen van kunstenaars wordt geregeld, de WIK, Wet Inkomensvoorziening Kunstenaars. Het is voor het eerst dat in Nederland een wettelijke regeling komt voor het inkomen van kunstenaars.

De wet is bedoeld om kunstenaars een kans te geven een beroepspraktijk op te bouwen, zonder dat ze een beroep op de bijstand hoeven te doen, aldus het plaatsvervangend hoofd kunsten van het ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschappen (OCW), G. Lawson. Hij zegt dat de wet in ieder geval bestemd zal zijn voor beeldende en podiumkunstenaars (musici, toneelspelers, dansers), waarvan de professionaliteit met een toets wordt vastgesteld. Of ook kunstenaars uit andere disciplines eronder zullen vallen wordt nog bekeken, aldus Lawson. De wet wordt een zogenoemde 'voorliggende voorziening' voor de bijstand. In grote lijnen komt de regeling er op neer dat kunstenaars gedurende een aantal jaren maandelijks een deel van een bijstandsuitkering van Sociale Zaken krijgen. Ze moeten zelf maandelijks proberen een aanvullend bedrag te verdienen. Kunstenaars zijn in deze regeling vrijgesteld van sollicatieplicht. Kunstenaars mogen kiezen of ze in de bijstand willen of in de WIK, aldus een woordvoerder van Sociale Zaken.

Momenteel zijn ten minste tienduizend Nederlandse kunstenaars deels of geheel afhankelijk van de bijstand. Zij moeten onder de aangescherpte regels binnen een half jaar hun eigen brood kunnen verdienen, anders moeten ze ander werk zoeken. De Eerste Kamer heeft gisteren de nieuwe, aangescherpte bijstandswet aangenomen. De gezamenlijke kunstenaarsorganisaties hebben tegen deze aanscherping van de bijstandswet geprotesteerd. Ze vrezen een verschraling van het culturele leven door de strenge bijstandregels, als kunstenaars al na een half jaar met hun niet renderende kunstbeoefening moeten stoppen. Ook beginnende kunstenaars komen erdoor in de problemen. De organisaties pleiten daarom voor een aparte steunregeling voor kunstenaars.

Staatssecretaris Nuis heeft bij de aanvang van zijn ambtsperiode, gehoor gevend aan die protesten, toegezegd met een regeling te komen die een 'renderende beroepspraktijk' voor kunstenaar mogelijk maakt.

Dat wordt de WIK. Omdat nog niet alle details geregeld zijn, wil Lawson nog geen inhoudelijke informatie geven. Hoe hoog de maandelijkse bijdrage wordt die kunstenaars kunnen krijgen, wil hij bijvoorbeeld niet zeggen.

Maar in een gesprek eind vorig jaar met de kunstenaarsorganisaties stelden OCW en Sociale Zaken voor de kunstenaar maandelijks 60 procent van een bijstandsuitkering te geven, gedurende een periode van hooguit vier jaar. Een kunstenaar zou dan tot bijstandsniveau mogen bijverdienen.

De kunstenaarsorganisaties hebben toen gezegd dat ze dat een te mager voorstel vonden: zij zelf stellen voor dat een kunstenaar maandelijks 75 procent van de bijstand ontvangt, en mag bijverdienen tot het niveau van het minimumloon. “Dat verhoogt de prikkel om zelf bij te verdienen,” aldus J. Verduyn Lunel, voorzitter van de Federatie van kunstenaarsorganisaties. Bovendien zou de regeling per kunstdiscipline verschillend van duur moeten zijn, vinden hij en F. de Haan van de Kunstenbond FNV. Ook willen ze dat het geld dat door de regeling op de bijstand bespaard wordt, besteed wordt aan maatregelen die de arbeidsmarkt voor kunstenaars verruimen ('flankerend beleid').

De Haan: “Een regeling waarbij kunstenaars 60 procent van de bijstand krijgen, lost de problemen niet op. Wij denken dat kunstenaars als ze dan ook nog niet meer mogen bijverdienen dan tot bijstandsniveau, amper gebruik zullen maken van de regeling. Dan blijven ze liever in de bijstand en verzwijgen dat ze kunstenaar zijn.”

“We hebben zelf als kunstenaarsorganisaties voorgesteld om een deel van de uitkering in te leveren, in ruil voor vrijheid om het beroep van kunstenaar uit te oefenen. Het zou jammer zijn als dat idee zo onwerkbaar schraal uitgewerkt zou worden,” zegt De Haan.

De organisaties kwamen mede met dat plan omdat ze niet een herhaling wilden van de beeldende-kunstenaarsregeling (BKR). Dat was een regeling waarbij tussen 1956 en 1987 een groeiend aantal kunstenaars, in ruil voor kunstwerken, een uitkering (minimumloon, meer dan bijstand) en materiaalvergoeding kregen. Omdat de maatregel te duur werd, en de prikkel om zelf bij te verdienen klein was, werd de regeling in 1987 buiten werking gesteld. De BKR had geen wettelijke basis, maar was een circulaire bij de begroting van Sociale Zaken, waarin stond dat gemeenten bij het ministerie geld konden krijgen voor de uitkering. Verschillende kunstenaars probeerden gemeenten die de BKR niet wilden uitvoeren via de rechter daartoe te dwingen, maar dat mislukte, omdat de wettelijke grondslag voor de BKR ontbrak.