Bewijs corruptie politie is lastig

ROTTERDAM, 12 APRIL. Het goede nieuws is dat de rijksrecherche binnenkort wordt uitgebreid met een eigen CID, een criminele-inlichtingendienst. Nadat gisteren bekend werd dat bij deskundigen in het Rotterdamse korps opvatting leeft dat de corruptie bij de politie omvangrijker is dan tot nu toe werd aangenomen, komt de nieuwe bevoegdheid van de rijksrecherche precies op tijd.

Daar staat tegenover dat deze CID zal bestaan uit welgeteld vijf medewerkers. De corruptievorsers van de politie krijgen weliswaar meer bevoegdheden - zoals preventief rechercheren - maar de hoeveelheid personeel die ze daarvoor kunnen inzetten correspondeert nauwelijks met de blijkbaar nogal omvangrijke taak die de rijksrecherche wacht. Gisteren werd immers duidelijk dat in de laatste drie jaar alleen al in het regiokorps van Rotterdam dertig serieuze gevallen van corruptie moesten worden aangepakt.

Bij de bestrijding van corruptie is al jaren van zo'n ongerijmdheid sprake. Het is een thema dat zich uitstekend leent voor alarmerende waarschuwingen van onderzoekers en deskundigen, gelardeerd met schokkkende voorbeelden (“geld en verdovende middelen verdwijnen uit kluizen”, zo heette het gisteren). Maar de aanpak van individuele corruptiegevallen vindt niet alleen met nogal beperkte middelen plaats, het wordt ook al sinds jaar en dag uitgevoerd in een muffe ambiance van ons-kent-ons. Een politie-ambtenaar wordt niet geacht een collega aan te geven, zo is de heersende opvatting op de werkvloer. En politiemensen die zich als rijksrechercheurs op het terrein van de corruptie-aanpak begeven, gaan op diezelde werkvloer door het leven als 'matennaaiers'.

Niettemin is de laatste tien jaar een omslag waar te nemen. Onder aanvoering van de korpsleiding van de Amsterdamse politie is er gekozen voor een harde aanpak van individuele corruptiegevallen. Dat heeft een verklaarbare achtergrond. Twee leden van de huidige korpsleiding, kandidaat-korpschef Kuiper en hoofd justitiële bedrijfsvoering Van Riessen, maakten in de jaren zeventig deel uit van de groep 'jonge Turken' bij de hoofdstedelijke politie die zich actief teweer stelden tegen de innige contacten die toenmalig commissaris Toorenaar onderhield in het criminele milieu. Zij bepleitten een grote schoonmaak, nieuwe regels, en een interne discussie over een stelsel van omgangsvormen dat integriteit waardeerde en garandeerde.

Maar ook zij stuitten destijds al op de beperkingen waardoor de aanpak van corruptie wordt gekenmerkt. Slechts nadat er, tijdens zijn afwezigheid, een 'inbraak' in de werkkamer van Toorenaar op het hoofdbureau was gedaan, bestond er voldoende bewijs tegen de commissaris om op een ontslag aan te sturen.

Het signaleren van corruptie is eenvoudiger dan het aanpakken en eventueel vervolgen ervan. In Amsterdam weet men er zo langzamerhand alles van. Er werd een eigen onderzoeksbureau gevormd - het BIO - dat door de korpsleiding niet langer werd gepresenteerd als een gezelschap gevaarlijke collega's, maar dat een hoge status binnen de pikorde van het korps kreeg toebedeeld. Op grond van BIO-onderzoeken werden de laatste jaren tientallen politiemensen voor ontslag voorgedragen (“uit het korps verwijderd”, noemt Van Riessen dat) omdat ze corrupt waren of zich 'normafwijkend' hadden gedragen. Maar voor de ambtenarenrechter bleek menige politieambtenaar met recht te kunnen claimen dat hij op basis van onvoldoende bewijs uit het korps was gezet.

De machtige politievakbonden spelen er handig op in. De grootste bond bij het hoofdstedelijke korps, de APV, ontleent zijn populariteit in belangrijke mate aan het feit dat men gratis rechtsbijstand aanbiedt aan al hun leden. Vorig jaar nog beklaagde de APV zich over het gemak waarmee politiemensen uit het korps werden verwijderd. Verwezen werd naar het fenomeen dat een consequente aanpak van corruptie leek te stranden zodra de hogere regionen van het korps in beeld kwamen.

De korpsleiding heeft eieren voor zijn geld gekozen en samen met de bonden een commissie gevormd die toetst op welke wijze politiemensen geschorst kunnen worden.

De andere grotere korpsen volgen de Amsterdamse aanpak. Als Amsterdam op dit vlak het goede voorbeeld geeft, staat de andere korpsen nog het een ander te wachten. In Amsterdam is namelijk nog een andere tegenbeweging op gang gekomen. De maatschappelijk werker van het korps, die ontslagen dienders begeleidt, heeft er zich de laatste jaren diverse malen over beklaagd dat de harde aanpak van individuele corruptiegevallen te geïsoleerd is. Corruptie en 'normafwijkend' gedrag, is zijn stelling, gedijen goed bij de politie omdat de bedrijfscultuur er aanleiding toe geeft - zoals Kuiper en Van Riessen in de jaren zeventig al meenden.