Bevrijd uit Westerbork, maar nog niet vrij

Op 11 en 12 april 1945 werden de nog aanwezige Duitse troepen teruggedrongen naar Noord-Drenthe. Vanuit het gebied rond Hoogeveen rukten de Canadezen op naar het noorden, zodat het kamp-Westerbork op woensdag 12 april kon worden bevrijd. Daar waren toen nog 876 joden (464 mannen, 309 vrouwen en 103 kinderen) geïnterneerd. Tweederde deel van hen waren Nederlanders en anderen waren voormalige Duitsers, Oostenrijkers, Polen en Tsjechen als ook acht Britten.

Op het moment van de bevrijding was Westerbork geen 'doorgangskamp' meer naar de vernietigingsoorden in Polen. In september 1944 was daaraan een eind gekomen. Die maand vertrokken de laatste drie treinen met 1.019 personen naar Auschwitz, 2.087 personen naar Theresienstadt en als laatste transport op 13 september 1944 279 personen naar Bergen-Belsen.

De bevrijding betekende nog niet dat de kampbewoners onmiddellijk vrijkwamen. Luitenant-kolonel A.H. Stok die ter plaatse het (Nederlandse) Militaire Gezag vertegenwoordigde, zei een week na de bevrijding dat van terugkeer naar huis om allerlei redenen nog geen sprake kon zijn. Daarom, aldus Stok tegen de kampbewoners, “betracht nog enige tijd de discipline die vooral thans zeer nodig is. Weest eensgezind en blijft hulpvaardig en arbeidzaam. Dit eist Nederland van u . In deel II van Ondergang (De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945) heeft J. Presser de bevrijding van Westerbork uitvoerig beschreven. De allerlaatste dagen en uren waren vol spanning en geruchten. Ook “dat ene, dat in vrijwel elk kamp aan de vooravond van zijn bevrijding circuleerde: dat de Duitsers nog vóór hun vertrek de bevolking zouden afmaken, of, zoals in Westerbork ook geloofd werd, het kamp in de lucht zouden laten springen”.

Vanaf 8 april begonnen de Duitsers hun koffers te pakken en staken vooraanstaande kampbewoners de koppen bij elkaar om te bespreken wat er moest gebeuren als Gemmeker, de kampcommandant, zou weggaan. Op 11 april kwam er een kamporder die niet door Gemmeker was ondertekend maar door Kurt Schlesinger, een Duitse jood die in 1940 in Westerbork beland was en zich daar had weten op te werken tot de eerste Dienstleiter van de commandant. In de order stond dat het kamp onder bescherming van het Internationale Rode Kruis kwam te staan. Bovendien werd men verzocht de (joden)sterren af te nemen, omdat men zich vanaf nu in een Austausch-Internierungslager bevond. Gemmeker verliet het kamp nog dezelfde dag en droeg de leiding en zijn dienstpistool over aan Schlesinger. In het kamp was Schlesinger echter zo gehaat, dat hij op zijn beurt de leiding overdroeg aan A. van As Jr., de enige niet-joodse ambtenaar in het kamp.

De volgende dag sprak Van As de kampbevolking toe in de grote zaal. Of men weer sabbath mocht houden, werd hem gevraagd. Toen klonk het “De Tommies zijn er”. Presser: “Alles vloog natuurlijk op hen af: het waren Canadezen, die voor alle zekerheid in hun tanks terugkropen, een aanval vrezend. Dit misverstand werd spoedig opgehelderd; zij traden het kamp binnen, hesen de vlag, het rood-wit-blauw, al die jaren door de kampbewoners in het magazijn verborgen en men zong samen het Wilhelmus en het God save the King. Maar de volgende dag hing de driekleur wegens het overlijden van (de Amerikaanse president) Roosevelt alweer halfstok. Van As werd op de schouders gehesen, een verdiende hulde. De Canadese commandant inspecteerde het kamp en toonde zich verrast over de orde en het behoorlijk verzorgde uiterlijk van de kampbewoners. Onmiddellijk nam Van As nu vaster de teugels in handen en vaardigde weer nieuwe orders uit. Onder meer het nadrukkelijk bevel dat niemand het kamp mocht verlaten. Of iedereen gehoorzaamd heeft?” vraagt Presser zich af.

Ed van Thijn, toen negen jaar, was een van de toenmalige kampbewoners. “Die bevrijding: uitzinnige vreugde was het”, vertelt hij in het Westerbork Cahier 2 (1994). “Ik ben in zo'n uitzichtstoren geklommen, er weer afgeklommen, over prikkeldraad, halverwege naar beneden gevallen (...) Ik proef nog de eerste chocola, het eerste wittebrood. De peanuts, die zaten in blikjes. Zo lekker, dat proef je nog. En van die bittere chocola, was niet bitter, van die harde brokken. En die Canadezen, je mocht hun geweer vasthouden...”

Steeds meer geïnterneerden liepen weg. Maar er kwamen ook nieuwe inwoners. Op 24 april worden tweehonderd gevangengenomen NSB'ers in het kamp ondergebracht waar de joodse kampbevolking nog niet weg mocht. “Wij, de joden, kregen de bewaking en zij hebben dat eerste etmaal wel spitsroeden moeten lopen. Daar heb ik afschuwelijke beelden van op mijn netvlies.”

Op 1 mei heet het in de kampkrant, de Westerborker, dat hulpverlening aan NSB'ers tot gevolg kan hebben dat men als zodanig wordt beschouwd en eveneens wordt ingesloten. Op 8 mei wordt met bal in de Grote Zaal de bevrijding van Nederland gevierd, op 22 mei twee geboorten, op 23 mei een huwelijk, op 24 mei weer een geboorte als ook een handbaloverwinning van 8-5 van de Westerborkploeg tegen het sterkte Drentse team.

Begin juni zitten er nog 280 niet-Nederlandse joden in het kamp, hoewel voor de meeste van hen opvangadressen en werk, onder andere in Amsterdam, beschikbaar waren. In dezelfde maand constateert de chef van het militaire gezag, generaal Kruls, dat het in hoge mate ongewenst is dat in één kamp NSB'ers en joden samen zitten. Toch verlaten pas in juli 1945 de laatste joodse ex-geïnterneerden het kamp Westerbork vanwaar in de periode 15 juli 1942 tot 13 september 1944 meer dan honderdduizend joden zijn weggevoerd.