Zonder lagere lasten veert arbeidsmarkt nooit op

Het beleid van algemene loonmatiging dat de drie kabinetten-Lubbers twaalf jaar predikten is faliekant mislukt, schreef Sweder van Wijnbergen onlangs. Onzin, vindt P.H.A.M. Verhaegen van het VNO/NCW. Loonkostenmatiging heeft de Nederlands concurrentiepositie juist goed gedaan.

Onlangs schreef Van Wijnbergen dat het beleid van drie kabinetten-Lubbers en 12 jaar algemene loonmatiging faliekant mislukt is (NRC Handelsblad, 30 maart). De werkloosheid is immers nog steeds niet opgelost. Wie daarom voor een beleid van algemene lastenverlichting pleit, zoals VNO-NCW met anderen, zou vragen om een herhaling van dat mislukte beleid en het kabinet-Kok willen laten degenereren tot een soort Lubbers-IV, aldus Van Wijnbergen. Het roer moet daarom van hem radicaal om: voortaan geen algemene lastenverlichting meer, maar alles naar de onderkant van de arbeidsmarkt, zoals minister Melkert voorstelt, veel meer concurrentie bevorderen op arbeids- en goederenmarkten en het arbeidsmarktbeleid van passief naar actief verschuiven.

Allereerst een reactie op de algemene stelling dat het beleid van loonkostenmatiging zou zijn mislukt.

Die vraag met ja beantwoorden, zoals Van Wijnbergen doet, is een flagrante ontkenning van de feiten. Want wat was de situatie begin jaren tachtig? De loonkosten waren tot zo'n hoogte gestegen dat de bedrijfswinsten nog maar een kwart waren van het niveau in 1970. Investeringen en werkgelegenheid namen met ongekende snelheid af. Met het Akkoord van Wassenaar hebben werkgevers en werknemers in 1982 de weg vrijgemaakt voor een periode van loonkostenmatiging.

Dit werd door de politiek tot aan begin jaren negentig ondersteund met een vrij consequent beleid van algemene lastenverlichting en ontkoppeling. In de jaren tachtig hebben ca. 900.000 mensen een baan gevonden. De werkgelegenheid groeide in Nederland daarmee drie keer zo snel als gemiddeld in de EG en de werkgelegenheid in de allerlaagste loonschalen weer drie keer sneller dan de gemiddelde werkgelegenheid. Toen na 1990 de lastenverlichting omsloeg, was onmiddellijk een knik in de stijging van de werkgelegenheid te zien.

Vreemd genoeg tonen de cijfers die Van Wijnbergen aanhaalt, precies het omgekeerde aan van wat hij concludeert. Tussen 1985 en 1993 is de brede werkloosheid vrijwel gestabiliseerd, na een voortdurend sterke stijging in jaren daarvoor. Deze stabilisatie was (zie ook de analyses van het CPB en de oratie die oud-minister De Vries vorige week hield) een rechtstreeks gevolg van het beleid van algemene loonkostenmatiging; een loonkostenmatiging die in deze jaren een correctie was op de veel te hoge loonstijgingen in de jaren daarvoor.

Het beleid was echter onvoldoende om de stabilisatie om te zetten in een daling van de brede werkloosheid. Dat ons arbeidsaanbod sneller groeit dan bijvoorbeeld in de ons omringende landen is daarvoor geen excuus. Maar om hieruit de conclusie te trekken, zoals Van Wijnbergen doet, dat het beleid van loonkostenmatiging faliekant mislukt is, is in het licht van de feiten onbegrijpelijk. De enig juiste conclusie is, dat loonkostenmatiging uiterst effectief is geweest voor het versterken van onze concurrentiepositie en het scheppen van meer werkgelegenheid, maar kennelijk niet de oplossing voor alle kwalen van de economie is geweest. Want loonkostenmatiging is natuurlijk geen Haarlemmerolie.

De discussie over de aanpak van het werkgelegenheidsvraagstuk wordt in Nederland op een veel te algemeen niveau gevoerd. Er wordt veel te weinig rekening gehouden met de veelkleurigheid van de arbeidsmarkt. Vooral de discussie op hoog Haags niveau en nu kennelijk ook op Amsterdams peil heeft trekjes van de Babylonische spraakverwarring en dreigt daarmee analoog aan de bouw van de toren van Babel, constructief beleid te blokkeren.

De arbeidsmarkt is in wezen enorm gedifferentieerd, zowel wat betreft het aanbod van arbeid in onze beroepsbevolking, als wat betreft de vraag naar arbeid door ondernemingen en particuliere huishoudens in verschillende sectoren van bedrijvigheid. Daarom is er ook geen “raadselachtige tegenspraak” tussen enerzijds de roep om algemene lastenverlichting en loonkostenmatiging en anderzijds meer loondifferentiatie.

Het is zinvol onderscheid te maken tussen drie segmenten. Het eerste segment betreft de ondernemingen, vooral in de exportsectoren, die blootstaan aan internationale concurrentie in de kennisintensieve produktie. Hieronder vallen ook delen van het dienstenverkeer (informatica, financiële dienstverlening). Het blijkt dat naast de broodnodige innovatie en verhoging van de kennisintensiteit ook gematigde loonkosten en voortgaande lastenverlichting hier noodzakelijk is. Ontegenzeggelijk wordt al jarenlang een groot deel van onze economische groei gecreëerd door onze exportgroei vanwege verbeterde prijs- en loonkostenconcurrentie.

Het tweede segment wordt gevormd door een groep ondernemingen in industrie en dienstverlening, die in het circuit van toelevering en uitbesteding zitten en daar in toenemende mate internationale concurrentie ondervinden. In deze sectoren zijn vooral de kosten en daarmee ook de loonkosten, in relatie tot factoren als kwaliteit en leveringssnelheid bepalend. Het is zonneklaar, dat een verdergaande lastenverlichting en loonkostenbeheersing noodzakelijk is om te voorkomen dat deze voor Nederland zo vitale bedrijvigheid en werkgelegenheid uit ons land wegtrekt door aantasting van zijn concurrentiepositie.

Het derde segment wordt gevormd door de binnenlandse sectoren in industrie en ambacht, maar vooral in de binnenlandse dienstverlening. In dit segment betreft het veelal sterk arbeidsintensieve dienstverlening die derhalve zeer gevoelig is voor de loonkostenontwikkeling. Nu doet zich juist in dit segment van het ondernemen en de relevante arbeidsmarkt een dramatische schaarbeweging voor. Aan de ene kant zijn de loonkosten op minimumniveau door een combinatie van de verstarrende drempel van het wettelijk minimumloon en de wig zo hoog, dat een groot deel van de werkgelegenheid in de laagproduktieve dienstverlening is weggesaneerd of in het zwarte en grijze circuit verdwenen. Aan de andere kant hebben wij 500.000 laag- en ongeschoolden aan de onderkant en van ons jaarlijkse nieuwe arbeidsaanbod is ten minste 50 procent door gebrek aan opleiding aangewezen op dit segment van de markt.

Met Van Wijngaarden ben ik het dus eens dat ons hardnekkige en nog steeds toenemende werkloosheidsprobleem vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt ligt. Deze constatering moet echter niet leiden tot de verkeerde reactie dat de lastenverlichting eenzijdig aan de onderkant moet worden geconcentreerd. Dit zou de motor van onze nationale groei ernstig aantasten en daarmee de hoogwaardige werkgelegenheid. Zonder groei in de bovenste segmenten, komt bovendien de werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt verder onder druk te staan. Deels omdat er een samenhang is tussen de internationaal concurrerende sectoren en de binnenlandse dienstverlening. Als deze sectoren de concurrentie niet meer aankunnen, verdwijnt ook de toeleverende produktie en dienstverlening. Deels omdat anders verdringing optreedt, doordat hoger opgeleiden het laaggeschoolde werk gaan doen. Vergeten wordt dat generieke lastenverlichting nodig is om de noodzakelijke doorstroming op de arbeidsmarkt (de bekende 'trek in de schoorsteen') te bevorderen.

De conclusie moet zijn, dat het opgeven van een breedgespreide lastenverlichting ter ondersteuning van loonkostenmatiging de motor van onze economische groei zou stilleggen en daarmee de bron van hoogwaardige werkgelegenheid, maar ook desastreus zou zijn voor de werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt.

Het is echter niet voldoende om het probleem aan de onderkant van de arbeidsmarkt op te lossen. Geen misverstand daarover. Daarom heeft VNO-NCW ook gepleit voor aanvullende maatregelen. Allereerst door de lastenverlichting zo vorm te geven dat hij ook optimaal werkt aan de onderkant. Dat is in lijn met het unanieme SER-advies uit 1994. Daarom is ook van een inconsistentie van VNO-NCW zoals die gesuggereerd wordt door Kranenburg (NRC Handelsblad, 6 april) in het geheel geen sprake.

Maar bovendien is extra gericht beleid nodig om de werking van de arbeidsmarkt aan de onderkant te verbeteren. Dat is niet alleen een kwestie van extra lastenverlichting, maar vooral een kwestie van herstel van de scheefgegroeide structuur aan de onderkant. Het onbevolkte niemandsland in het loongebouw tussen de laagste loonschalen in sommige CAO's en het minimumloon is niet zozeer te wijten aan het AVV'en, zoals Van Wijnbergen suggereert. Voor een deel is het bewust beleid (Arbo-wetgeving) geweest van taakverrijking, waardoor eenvoudige functies zijn verdwenen, voor een deerl is het de opdrukkende werking van ons sociale zekerheidsstelsel. En buiten het CAO-gebied, waar een belangrijk deel van de laagproduktieve werkgelegenheid zich bevindt, belet de hoogte van het wettelijk minimumloon en het ontbreken van effectieve sancties in de sociale zekerheid het ontstaan van nieuwe banen. Het zijn deze structurele belemmeringen, waar de beleidsmakers in de politiek voor wegduiken. Werkgevers hebben zich bereid verklaard en ook al daadwerkelijk een begin gemaakt met het invoegen van lage loonschalen in de CAO's en taakafsplitsing om een stuk laagproduktieve werkgelegenheid terug te brengen.

VNO-NCW heeft voorgesteld om door een gelijktijdige verlaging van het minimumloon én een extra verlaging van de 'wig' in het traject van 70 procent tot 120 procent van het minimumloon een gericht offensief te ondernemen om de 'verdwenen' werkgelegenheid aan de onderkant van de markt terug te halen en te vergroten. Maar de politiek duikt weg. Het voorstel van minister Melkert om de lastenverlichting exclusief te benutten om de 'wig' (verschil tussen bruto loonkosten en netto loon) op het minimumloonniveau af te schaffen en geleidelijk op te laten lopen tot 130 procent van het minimumloon is eenzijdig en heeft negatieve bijwerking, doordat het de doorstroom op de arbeidsmarkt belemmert. In plaats van trek in de schoorsteen te bevorderen, sluit hij hem af met alle verstikkingsverschijnselen van dien.

VNO-NCW pleit voor een én-én beleid: een frontale aanval over de hele linie met extra actie aan de onderkant. De nog steeds veel te hoge lastendruk rechtvaardigt zo'n beleid en de conjuncturele opgang maakt het mogelijk. Maar door de Babylonische spraakverwarring en de schijntegenstellingen, al dan niet doelbewust in stand gehouden, dreigt het tij te verlopen.