Veel rode plekken op bips en benen

De interessantste vraag zal vandaag niet beantwoord kunnen worden. Die luidt: waarom bleef mevrouw Rabda bij meneer Rabda?

Mevrouw Rabda is niet in de rechtszaal aanwezig - vandaar. We zullen het moeten doen met haar man, en die kan niet beschouwd worden als een van de mededeelzaamste naturen die ooit voor een Nederlandse politierechter zijn verschenen. Het liefst zou hij permanent het woord geven aan zijn Marokkaanse tolk om zelf onbekommerd de vlucht van de wolken achter de ramen te kunnen bestuderen. Maar dat mag niet van de Utrechtse politierechter, mevrouw mr. H. Gorter.

Rabda staat terecht voor twee beschuldigingen: mishandeling én bedreiging van zijn vrouw. Mishandeling? Dat is wat magertjes uitgedrukt. Als we mevrouw Rabda, drie getuigen en een aantal blauwe plekken mogen geloven - en vooral die laatste liegen zelden - dan is mevrouw Rabda jarenlang geterroriseerd.

Hier volgen enkele impressies uit het leven van mevrouw Rabda, zoals ze die begin 1994 aan de politie heeft verteld.

“Vanaf eind 1992 begon hij me dagelijks te slaan en uit te schelden. In het begin deed ik niet veel terug, omdat in Marokko meer vrouwen worden geslagen. Sinds een half jaar duw ik hem weg. Hij pakt me dan bij mijn hals en probeert me te wurgen. In juni 1993 raakte ik daardoor buiten bewustzijn. Toen ik bijkwam, zat hij in mijn voeten te bijten. Hij bijt en schopt me elke dag tot bloedens toe. Het begint 's morgens en het gaat de hele dag door. Hij gooit met kopjes en met borden. 's Avonds begint hij opnieuw te slaan en te krabben. Soms gaat hij 's nachts ook nog door. In februari 1994 probeerde hij met een mes in mijn ogen te steken. Hij sloeg ook met een stok op mijn hele lichaam, behalve in mijn gezicht. Ik heb last van mijn hoofd, omdat hij aan mijn haar trekt. Als ik in de keuken sta, steekt hij soms opeens. Hij bedreigt me ook met de dood. Hij zegt dat hij een pistool zal kopen om me dood te schieten. Als ik me opsluit in de douche, gaat hij zichzelf slaan en zegt dan tegen de familie dat ik dat heb gedaan. Ik kan niets tegen hem doen.”

De politie heeft bemiddeld, en mevrouw Rabda heeft ook nog een tijdje in een opvanghuis gezeten, maar het hielp aanvankelijk allemaal niets.

De 35-jarige Rabda en zijn vrouw trouwden in 1980. Zes jaar later volgde mevrouw Rabda haar man naar Nederland. Inmiddels hebben ze drie kinderen van wie de oudste negen jaar is. Mevrouw Rabda herinnert zich dat de mishandelingen al in Marokko zijn begonnen. Maar in Nederland werd het opeens veel erger. Ze begreep niet waarom. “Ik denk dat hij gek is”, zei ze tegen de politie, nadat ze in februari 1994 voor het eerst aangifte had gedaan.

“Er klopt niks van”, zegt Rabda stug tegen de rechter als ze hem met de 'dagrapporten' van mevrouw confronteert.

“U heeft zelf tegen de politie gezegd dat u uw vrouw sinds 1986 regelmatig geslagen heeft.”

“Ik sla haar, maar zij slaat mij ook terug. Ik heb nooit met een stok geslagen.”

“U heeft ook tegen de politie gezegd dat u haar met de dood bedreigd heeft.”

“Ik heb haar nooit echt mishandeld, dus ook niet bedreigd.”

“Volgens uw vrouw sloeg u ook uw kinderen dagelijks met uw handen. Uw zoon al vanaf zijn tweede jaar.”

“Er klopt niks van.”

“Politieagenten hebben bij uw vrouw vurige, rode plekken gezien op bips en benen”, probeert de rechter nog eens.

“Ik heb haar niet geslagen.”

Er zijn nogal wat belastende getuigenissen tegen Rabda. De huisarts heeft blauwe plekken op het lichaam en in de hals van mevrouw Rabda geconstateerd. Een kennis heeft Rabda met een schoen in de nek van zijn vrouw zien slaan. Een bovenbuurvrouw en een kennis zagen afdrukken van tanden in het lichaam van mevrouw Rabda.

“Het zijn allemaal leugens”, zegt Rabda.

Er bestaat een reclasseringsrapport over Rabda, opgemaakt in 1986. Daarin beschrijft een psychiater hem als zeer wantrouwig en depressief, hij is bovendien een man die grote moeite heeft zich aan Nederland aan te passen.

“Het zit 'm in de gebrekkige middelen om Nederland aan te kunnen”, vat de rechter samen.

De tolk, wiens Nederlands ook al niet vlekkeloos is, kijkt haar niet begrijpend aan. “Dat kan ik niet vertalen.”

De rechter legt het uit. Dan zegt ze: “Hij zou contact moeten opnemen met de Riagg.”

“Ik weet niet wat dat is”, zegt de tolk.

“Maar ik wel”, zegt Rabda, “ik ben er vijf jaar geleden geweest. Ik heb er met een vrouw, een psycholoog, gepraat.”

Inmiddels heeft er vorig jaar een opzienbarende ommekeer plaatsgevonden in het echtelijke verkeer tussen meneer en mevrouw Rabda. Een half jaar na mevrouws aangifte meldde zich een reclasseringsmedewerker bij de familie Rabda. Meneer Rabda verbleef thuis in afwachting van het proces. De medewerker kreeg niet veel hoogte van het gezin, schreef hij, maar de situatie leek hem redelijk stabiel. De flat was keurig op (orthodox-Marokkaanse) orde, en ook de thee werd netjes geserveerd. Mevrouw was erbij en een kind zat vrolijk op de bank. Het gesprek verliep moeizaam, vanwege de taalproblemen en ook omdat meneer Rabda niet begreep waarvoor dit allemaal nodig was.

Een tweede reclasseringsbezoek, enkele maanden geleden, bevestigde het beeld van herstelde rust. De reclassering pleit daarom voor een voorwaardelijke straf voor Rabda. Het opleggen van toezicht acht men ongewenst en onuitvoerbaar. “Als het onverhoopt escaleert, moet de onvoorwaardelijke straf maar ten uitvoer worden gebracht”, meent de reclassering.

De officier van justitie, mr. E. Roelofs, kan zich wel vinden in dit advies, ook al vindt hij de feiten ernstig. Hij eist zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.

“Bent u niet meer zo driftig?” vraagt de rechter.

“Waarom zou ik driftig zijn?” zegt Rabda, een beetje driftig.

De advocate, mr. M. Hendriks, wijst erop dat het geweld in dit huwelijk van twee kanten kwam. De politie heeft bij beiden blauwe plekken geconstateerd en ook de zussen van meneer Rabda hebben verklaard dat zijn vrouw soms met een strijkijzer of een ander voorwerp sloeg. Of moet je zeggen: terugsloeg? Daarover laat de advocate zich niet uit. Zij vraagt vrijspraak. “Het is een ruzie tussen twee echtgenoten waar de staat zich niet mee moet bemoeien.”

De rechter acht de mishandeling wèl (“met name het bijten vind ik heel ernstig”), maar de bedreiging niet bewezen. Ze legt een voorwaardelijke celstraf van drie maanden op. “Ik vind het heel erg wat er gebeurd is”, zegt ze tegen Rabda, “maar vooral vanwege uw kinderen moeten we het zo maar doen. Als het weer uit de hand loopt, gaat u de gevangenis in. Dat geldt voor een proeftijd van twee jaar, maar eigenlijk voor de rest van uw leven.”

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.