'Sarajevo-complex' van het Westen is gevolg van oorlogspropaganda

In NRC Handelsblad van 15 maart maakt Alfred Pijpers rake opmerkingen over wat weleens het dominante Westeuropese beeld van de Bosnische oorlog zou kunnen zijn. Ook in Nederland is er, aldus Pijpers, sprake van een drievoudig schuldcomplex. Opiniemakers tamboereren op de Westerse medeplichtigheid aan de oorlog, trekken misplaatste vergelijkingen met de Duitse massamoorden van '40-'45 en misbruiken de Balkan als metafoor voor een sombere Europese toekomst.

De analyse van Pijpers schijnt correct, in die zin dat een studie van perscommentaren inderdaad meer kennis oplevert over Europese frustraties dan over de Bosnische werkelijkheid. Het valt echter te betwijfelen of zijn verklaring - het 'Sarajevo-complex' als bewijs van afkeer van de eigen Westerse samenleving - eveneens doel treft. Het punt is dat Pijpers onvoldoende rekening houdt met de invloed van nationale ideologieën op een Europees zelfbeeld dat onder druk staat en verandert.

Anti-Westers ressentiment richtte zich in de jaren zestig en zeventig in essentie tegen het veronderstelde verraad van de Amerikaanse en Europese regeringen aan het beschavingsideaal van de Verlichting. Wat dat betreft zijn er zeker overeenkomsten met het tegenwoordige protest tegen de internationale besluiteloosheid en de onwil om - zoals men dat ziet - 'echte' maatregelen te treffen, die de Bosnische oorlog zouden kunnen beëindigen. Maar meteen dient de vraag zich aan, wat er dan uniek is aan de publiciteit die Bosnië de afgelopen drie jaar ten deel viel. Hoe wordt er in het postcommunistische tijdperk vanuit de Balkan met verschillende versies van de waarheid geschermd om de morele steun van het Westen te mobiliseren?

Joegoslavië, zo wil de traditie, is het land van de scheidslijnen tussen het Westen en het Oosten, 'das Abendland und Byzanz', beschaving en barbarij. De Amerikaanse antropoloog Robert Hayden liet zien hoe dergelijke noties, gebaseerd op een racistische cultuurtheorie, in de Kroatische oorlogspropaganda werden gebruikt (Slavic Review 5-1, 1992). Vlak na de Tweede Wereldoorlog ontwierp de Kroaat Dinko Tomasic een niet-Europese, collectivistische en gewelddadige 'Balkanmentaliteit', voorbehouden aan de Serviërs, om de Kroatische ustasa-staat met terugwerkende kracht een schijn van legitimiteit te verlenen. Die draad werd opgepakt door de adviseurs van president Tudjman. Hun succes kan onder meer worden afgemeten aan het boek van journalist Frank Westerman, De brug over de Tara, waarin dit gedachtengoed sporen heeft achtergelaten.

“Ergens tussen Zagreb en Belgrado begon onmerkbaar de Balkan, als de overgang naar een ander klimaat.” Voor Westerman is de Kroatische, Bosnische, Montenegrijnse, Servische en Macedonische Serviër het prototype van de Balkan-mens. “Ze rolden sigaretten om hun jeukende vingers bezig te houden en waren bereid om te sterven - terwijl ik hartstochtelijk wilde leven.”

In de strijd om de sympathie van het Europese publiek schoten de Bosnische moslims met een nog zwaarder kanon: de 'Bosnische mentaliteit'. De Oost-West-tegenstelling werd nu zowel losgelaten als opnieuw geformuleerd. Bosnië veranderde van een niemandsland in een multiculturele samenleving. De Bosnische moslims waren in feite nog Westerser en toleranter dan de westerlingen zelf. Bosnië, dat is de pointe, ging niet ten onder aan interne, maar aan externe oorzaken (lees: Milosevic). Dit idee van een Bosnische mentaliteit, de hoeksteen van de moslim-ideologie, wortelt in de Oostenrijks-Hongaarse periode. Tijdens de Joegoslavische federalisering kreeg het nieuwe impulsen door het werk van Bosnische auteurs als Muhamed Hadzijahic, Muhamed Filipovic en Atif Purivatra. De derde golf maken we tegenwoordig mee, nu ook Amerikaanse en Westeuropese geschiedschrijvers zich in hun geschriften achter president Izetbegovic scharen.

Eerder dan in het anti-Westerse engagement van onze intellectuelen moet de kern van het 'Sarajevo-complex' worden gezocht in hun kritiekloze acceptatie van bovengenoemde ideologisch bepaalde voorstellingen. Die acceptatie is wel te verklaren. Het vervelende gevoel medeplichtig te zijn aan de oorlog laat zich niet wegredeneren, maar wordt wel sterk gerelativeerd als alle 'inheemse schuld' bij de Serviërs kan worden gelegd. “We zijn voortdurend bezig de afstand tussen onszelf en de oorlogszuchtigen op de Balkan te vergroten”, constateerde antropoloog Mattijs van de Port (De Volkskrant, 11 januari). Maar zijn artikel, opgebouwd rond het motief Dubrovnik, Vukovar, Sarajevo - door Serviërs beschoten steden - bevestigt het werk van Tomasic. En Pijpers verruimt de theorie van de Balkanmentaliteit slechts ten dele als hij de Bosnische oorlog beschrijft als een 'Afrikaanse stammenstrijd'.

Blijkbaar is er weinig bereidheid om de oorlog te beschouwen als de trieste uitkomst van een geëscaleerd, maar niet onbegrijpelijk belangenconflict.

Het multiculturele beeld van Bosnië, het tweede concept, past publicitair gezien prima bij de bezorgdheid die veel politici en columnisten terecht aan de dag leggen over de multiculturele toekomst van hun eigen land. Met maatschappijkritiek van 'fellow travellers' heeft dat niet veel te maken. Men leze slechts een representatief commentaar van socioloog Kees Schuyt (NRC Handelsblad, 21 april 1994): “De toekomst in Nederland is onzeker, niet het minst voor buitenlanders die hier woonachtig zijn en een bestaan hebben opgebouwd. Zoals de stad Oran voor de schrijver Albert Camus de pest van de Tweede Wereldoorlog symboliseerde, zo symboliseert de belegering van de stad Sarajevo nu de pest van de naoorlogse aanvallen op de multiculturele samenlevingen.” Het lijkt er op dat Bosnië - Sarajevo - juist vanuit een pro-Westers engagement tot de test-case van een Europees-Amerikaans ideaalbeeld is gepromoveerd.

“De trefwoorden 'Joegoslavië' of 'Bosnië' maken nauwelijks iets los aan publiek debat”, schreef Raymond van den Boogaard in deze krant (3 maart). Dat het ook anders kan werd vorig jaar aangetoond door het Britse blad The Times Literary Supplement. Op de brievenpagina's kreeg Noel Malcolm - de auteur van een sterk op de Bosnische Moslims gericht geschiedenisboek, Bosnia: a short history - er van april tot oktober flink van langs. Des te vreemder is het, dat in Nederlandse besprekingen van dit veelverkochte werk geen enkele kritische opmerking werd geplaatst. Een beter bewijs voor de effectiviteit van de hersenspoeling vanuit Sarajevo en Zagreb is nauwelijks denkbaar, gezien de overduidelijke eenzijdigheid van Malcolms boek.

Het Nederlandse 'Sarajevo-complex' kan alleen worden gerelativeerd als we ons beraden op de woorden van Charles King (TLS, 16 december 1994): “Niemand bij zijn volle verstand kan het lijden van Sarajevo ontkennen, of de hypocrisie van de als patriotten vermomde oorlogsprofiteurs in Belgrado en Zagreb, of de onwetendheid die schuil gaat in de notie dat 'eeuwenoude haat' en een 'Balkanmentaliteit' de huidige oorlog zouden voeden. Maar het creëren van een andere mythe - het sprookje van een eeuwig vredige, multi-etnische, zelfs 'multiculturele' Bosnische staat, ten prooi gevallen aan de dierlijke agressie van buurstammen - houdt slechts het manicheïstische beeld in stand dat veel van de Joegoslavië-commentaren teistert.”