Nederlandse jeugd zit lang op school

ZOETERMEER, 11 APRIL. Nederlandse kinderen zitten veel en lang op school. Scholieren krijgen internationaal gezien een record aantal uren per jaar les en het aantal jaren dat een kind naar school gaat is het hoogst van de geïndustrialiseerde landen. Toch besteedt de Nederlandse overheid relatief weinig geld aan onderwijs, vooral aan het voortgezet onderwijs. Van al die lesuren wordt in Nederland relatief erg veel tijd besteed aan vreemde talen en erg weinig aan wiskunde.

Dit blijkt uit de internationale vergelijking op onderwijsgebied, Education at a glance 1995, die vandaag is gepubliceerd door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de in Parijs gevestigde organisatie van 25 westerse, geïndustrialiseerde landen. Volgens het ministerie van onderwijs geven de cijfers aan dat het Nederlandse onderwijssysteem “efficiënt” is. Onderwijs ziet in het rapport ook een bevestiging van het beleid om bij de bezuinigingen het basis- en voortgezet onderwijs te ontzien. De OESO-cijfers hebben voor de meeste lidstaten betrekking op de situatie van 1992. Een Nederlands kind brengt na zijn vijfde jaar gemiddeld 16 jaar door op school. Van de OESO-landen komen alleen België (15,8), Frankrijk (15,9) en Duitsland (15,9) in de buurt van dit getal. In al die jaren krijgen de Nederlandse kinderen erg veel les, ze brengen per jaar een recordtijd in het klaslokaal door. Nederlandse negenjarigen kregen in 1991 gemiddeld 1.019 uur per jaar les, 14-jarigen 1.198 uur. Van de 14 OESO-landen waarvan deze cijfers bekend zijn, komen alleen de VS bij Nederland in de buurt met 1.001 uur voor negenjarigen en 1.032 voor veertienjarigen. In Duitsland zijn die getallen respectievelijk 661 en 870 uur. Ook Frankrijk scoort redelijk hoog, met 878 en 1.047 uur.

Veel les, maar weinig geld. Want Nederland geeft nog altijd relatief weinig geld aan onderwijs uit. Een internationaal gezien groot deel daarvan wordt uitgegeven aan het hoger onderwijs. Deze conclusie uit eerdere uitgaven van de OESO wordt in de nieuwste Education at a glance bevestigd.

Pag.3: Uitgaven voor onderwijs blijken laag

De Nederlandse uitgaven voor onderwijs zijn vrij laag: in 1992 ging 5,8 procent van het bruto nationaal produkt (BNP) naar onderwijs, net zoveel als in 1991. In 1988 was dat nog 6,6 procent. In Frankrijk ging in 1992 6,2 procent van het BNP naar onderwijs, in Denemarken 7,8. Een zeer groot deel van die relatief lage Nederlandse onderwijsuitgaven gaat naar het hoger onderwijs. De uitgaven per leerling in het voortgezet onderwijs behoren tot de laagste in de EU: 7.220 gulden per jaar, tegen bijvoorbeeld ruim 11.000 gulden in België en bijna 13.500 in Duitsland. Maar de uitgaven aan hoger onderwijs per student behoren daarentegen tot de hoogste van de OESO: 14.860 gulden per jaar, tegen 11.180 gulden in België.

Dat Nederlandse kinderen zoveel les krijgen tegen relatief lage kosten kan voor een deel worden verklaard uit het feit dat Nederlandse leerkrachten een record aantal uren voor de klas staan tegen vrij lage salarissen.

In het Nederlandse voortgezet onderwijs wordt internationaal gezien erg veel tijd besteed aan vreemde talen en vrij weinig uren aan wiskunde. In de laagste drie klassen van het voortgezet onderwijs besteden de Nederlandse scholen 26 procent van de lestijd aan vreemde talen. Dit is verreweg het hoogst van de veertien onderzochte OESO-landen, waaronder elf EU-landen. Het gemiddelde is 13 procent. Met het wiskunde-aandeel scoort Nederland daarentegen het laagst van de veertien landen: 8 procent van de lestijd, tegen 12 gemiddeld. Geen land komt onder de 10 procent.

Het Nederlandse ministerie van onderwijs wijst er in een commentaar op dat met de invoering van de basisvorming in 1993 het aandeel van wiskunde tot boven het OESO-gemiddelde is verhoogd van 8 naar 13 procent, en het aandeel van vreemde talen verlaagd tot 17 procent.

Wiskunde wordt hier niet echt belangrijk gevonden, zo blijkt uit een opinie-onderzoek in Education at a glance. Van twaalf OESO-landen (tien EU-landen en Zwitserland en de VS) is Nederland het enige land waar wiskunde door de bevolking niet bij de twee belangrijkste schoolvakken wordt gerekend. In de andere landen zijn dat de eigen taal en wiskunde, in Nederland zijn dat de eigen taal en vreemde talen. Niettemin zijn de Nederlandse wiskundemethoden niet voor niets internationaal vermaard. Ondanks de geringe lestijd zijn Nederlandse kinderen vooral goed in wiskunde. Uit een eerder OESO-rapport was al bekend dat de Japanse schooljeugd het beter doet.

Uit de nieuwste Education at a glance blijkt dat Nederlandse negenjarigen slecht zijn in lezen, van de zeventien onderzochte landen doet alleen Denemarken het slechter. Het Nederlandse onderwijs slaagt er wel in om veel te verbeteren: alleen in Duitsland en Denemarken gaan de kinderen er tot hun veertiende jaar sneller op vooruit in leesprestaties. Maar het uitgangsniveau is zo laag dat het leesniveau van Nederlandse veertienjarigen, samen met die in Spanje, Ierland en België, nog altijd tot de laagste van de OESO behoort.