Nederland moet in allochtonen investeren

De werkloosheid onder allochtonen in Nederland bedraagt 22 procent. Vormen de allochtonen - nu 7,6 procent van de totale bevolking, in 2015 ten minste ruim 11 procent - een economische last? Als gevolg van de vergrijzing moet Nederland in minderheden gaan investeren. “Anders krijgt de Nederlandse economie te maken met ernstige arbeidstekorten.”

Sinds vier jaar huist in een crèmekleurig kantoor op de bovenste verdieping van een gerenoveerd fabriekspand langs de Utrechtse Wittevrouwensingel KGK Communications. De eigentijdse afkorting staat voor de gebroeders Hakan en Volkan Korkmaz en hun vriend/partner Ogün Göktürk, Turkse dertigers die destijds als baby's met hun gastarbeidende ouders naar Nederland kwamen. Nadat de drie hier middelbare technische en hogere commerciële beroepsopleidingen hadden genoten en een escapade in de 'music business' zagen mislukken, vestigden zij zich in 1991 als onafhankelijke communicatie-adviseurs. Hun voorspelbare doelgroep: de Turkse minderheid in Nederland.

“Eerst was de Nederlandse overheid onze voornaamste klant”, vertelt KGK's strategy director Hakan Korkmaz vanachter een futuristisch glazen bureau. “Via de gebruikelijke kanalen bleek 90 procent van de Turken onbereikbaar. Zij kijken voornamelijk naar de Turkse televisie en naar Turkse video's, of lezen Turkse kranten als de Hürriyet en de Milliyet.” Dus brachten de KGK-partners enkele rechtstreeks uit Amerika geïmporteerde ethnic-marketing-methoden in stelling.

Korkmaz: “Omdat boodschappen via de Nederlandse televisie niet doorkwamen, verturksten wij ze - soms met hulp van Turkse acteurs - en monteerden ze aan het begin van de Turkse videofilms die vrijwel alle Turken zien. Verder hebben wij plannen voor een Turks-Nederlands krantje.” Nu de subsidiekraan van de terugtredende overheid minder genereus vloeit, werkt KGK meer voor particulieren. Dat zijn vaak autochtone bedrijven die de allochtone markten met meer verve willen bewerken, en het omgekeerde komt ook voor. “Vrijwel elke Turk droomt ervan zelfstandig te worden”, zegt partner Göktürk. “Het biedt werk, onafhankelijkheid, avontuur en bovenal status.”

De KGK-partners werken met zes tot zeven freelancers en maken een jaaromzet van zes à zeven ton. Daarmee vormen zij succesvolle rolmodellen in een allochtone wereld die nogal eens wordt geteisterd door negatieve stereotiepen over peilloze ontworteling, supersnelle voortplanting en massale werkschuwheid. Vormen de minderheden inderdaad een knellende en met name economische last voor de Nederlandse samenleving?

Het KPMG-Bureau voor Economische Argumentatie in Hoofddorp deed eind vorig jaar in opdracht van Binnenlandse Zaken een poging dit gevoelige en nog weinig doorzichtige terrein beter in kaart te brengen. Het eindrapport (nov. '94) kreeg de titel 'De economische betekenis van minderheden voor de arbeidsmarkt' mee en de rapporteurs Henk de Jonge en Ron Konijn laten in hun Hoofddorpse kantoor met stelligheid weten: “Natuurlijk bieden de werkloosheidscijfers een somber beeld: 22 procent onder allochtonen tegen 6,4 procent bij autochtonen. Maar vooral die 22 procent komt in de publiciteit. Daar staat tegenover dat 78 procent ofwel de grote meerderheid van de allochtone beroepsbevolking elke dag normaal naar het werk gaat. In ons onderzoek hebben wij vooral gekeken naar de economische betekenis van die onderbelichte meerderheid.”

De rapporteurs knopen daaraan vast: “Wij hebben ook naar de lange termijn gekeken en dan zie je een aantal simpele waarheden, namelijk dat de minderheden hier zijn en zullen blijven; dat discussie over de vraag of het verstandig is om hier minderheden te hebben een allang gepasseerd station is; en dat de Nederlandse economie, als er nu niet in minderheden wordt geïnvesteerd, straks door voorspelbare demografische ontwikkelingen te maken krijgt met ernstige arbeidstekorten.”

Nu eerst wat feiten en cijfers over de veelbesproken maar toch te weinig bekende minderheden. Begin vorig jaar waren er, volgens het 'Sociaal en Cultureel Rapport 1994' 1,16 miljoen allochtonen in ons land ofwel 7,6 procent van de bevolking. Dat zullen er in 2015 - afhankelijk van de scenario's van matige of florissante economische groei - 11,4 à 17,2 procent zijn. Het SCR noemt zelf de schatting van 15 procent - ongeveer 2,5 miljoen - 'niet al te gewaagd'. Het begrip 'allochtonen' is overigens tijdelijk en rekbaar want na enkele generaties plegen het gaandeweg autochtonen te worden. Waar zijn bijvoorbeeld de 'spaghetti-vreters' uit de jaren dertig en vijftig gebleven? Of de 'pinda-Chinezen' met hun koffertjes versnaperingen naast bioscoopingangen?

Om nog een wijdverbreid misverstand weg te nemen: de groei van minderheden komt in hoofdzaak door de natuurlijke voortplanting hier, en voor een afnemend deel door de immigratie van buitenaf die toch het leeuwedeel van de aandacht krijgt. Weliswaar nam het aantal asielzoekers de laatste jaren spectaculair toe - van 20.396 in 1992 en 35.399 in 1993 tot 52.576 in 1994 - maar afgaand op de eerste maanden van 1995 zal het aantal dit jaar door strengere wetgeving weer met eenderde dalen tot zo'n 35.000.

Bovendien daalde het aantal asielzoekers dat de begeerde A-status kreeg van 10.348 in '93 naar 6654 vorig jaar. Volgens opgaven van het ministerie van justitie kregen van 1985 tot 1995 in totaal slechts 25.533 asielzoekers de A-status die uitzicht biedt op een permanent verblijf. Wat in het licht van het hele 'allochtonen-gebeuren' niet echt indrukwekkend is. Natuurlijk zijn hier, zoals in zovele landen ter wereld, ook heel wat illegalen. Schattingen over hun aantal variëren van 25.000 tot 130.000. Vorig jaar werden er bijna 18.000 opgepakt en uitgezet.

Nu weer terug naar de economische betekenis van de minderheden op de huidige Nederlandse arbeidsmarkt. Dat allochtone werknemers op die markt achter lopen, blijkt overduidelijk uit het genoemde KPMG-BEA-rapport over het 'economische gewicht' van de allochtonen. Allereerst is hun participatie op de arbeidsmarkt gering. Is 62 procent van de autochtone bevolking van 15 tot 65 jaar beschikbaar voor die markt, bij minderheden is dat nog net geen 50 procent. “Vooral de lage participatie onder Turken en vooral Marokkanen - hun vrouwen werken nauwelijks - is daar debet aan”, verduidelijkt consultant Ron Konijn van KPMG-BEA. In de tweede plaats is de werkloosheid onder minderheden met 22 procent gemiddeld drie maal hoger dan onder autochtonen (6,5 procent).

Niettemin bespeuren Konijn en zijn collega De Jonge ook lichtpuntjes. “In totaal zijn er 250.000 werkzame allochtonen die voornamelijk werken in de industrie en in laaggeschoolde functies, meestal sectoren op de arbeidsmarkt met veel knelpunten”, legt De Jonge uit. “Als er geen minderheden waren, zouden die knelpunten op een andere manier moeten worden opgelost. En dat zou leiden tot hogere loonkosten en het tenminste gedeeltelijk verdwijnen van bepaalde bedrijfstakken.” Al met al schat Konijn dat de 250.000 werkende allochtonen (voornamelijk Surinamers, Turken, Marokkanen en Antillianen) zorgen voor 50.000 nieuwe banen in toeleverende sectoren.

Behalve de allochtone werknemers zijn er natuurlijk de allochtone ondernemers. In een rapport 'Onbekend maakt Onbenut' taxeerde het Adviesbureau Coopers & Lybrand hun aantal in 1993 op ruim 22.000. Onder hen bevonden zich toen 5400 Turkse, 4100 Surinaamse en 1900 Marokkaanse ondernemers. Hun aantal groeit blijkbaar snel want de laatste 'Gele Gids van Turkse Bedrijven in Nederland' - samengesteld door de Haagse uitgever Ahmet Kaya - maakt al melding van 7000 Turkse bedrijven. De Jonge en Konijn schatten dat die 22.000 allochtone ondernemers, afgezien van hun onbetaalde familieleden, nog eens zo'n 50.000 werknemers in dienst hebben. “Het etnische ondernemerschap vormt daarmee een bron van economische groei in de toekomst”, noteren zij. “Daarnaast kunnen zij een rol spelen bij het introduceren van nieuwe produkten en diensten, en bij het verstevigen van de handelsbanden met hun landen van herkomst.”

Tenslotte spelen minderheden, behalve als werknemers en ondernemers, ook als consumenten een steeds belangrijker rol in de nationale economie, zo berekenden consultants Konijn en De Jonge. Zij taxeren die totale consumptie, exclusief die uit sociale uitkeringen, op 11 miljard gulden per jaar. En daarmee houden minderheden nog eens 70.000 mensen aan de slag. In totaal scheppen de 250.000 werkende allochtonen als werknemers, ondernemers en consumenten zo'n 170.000 banen extra arbeidsplaatsen, meest voor autochtonen, in toeleverende bedrijven (zie grafiek Uitstralingseffect minderheden 1993).

Als Ron Konijn en Henk de Jonge in hun rapport 'De economische betekenis van minderheden voor de arbeidsmarkt' kijken naar die betekenis in het jaar 2015, dan komen zij tot uitkomsten die tegelijk veelbelovend en onheilspellend mogen heten. Dat heeft vooral te maken met de spectaculaire demografische ontwikkelingen die ons de komende decennia staan te wachten (zie grafiek Verandering omvang potentiële beroepsbevolking).

In 1990 was er een arbeidsoverschot van ongeveer 750.000 personen en zonder minderheden zou dat overschot aanzienlijk lager, op 500.000, zijn uitgekomen (zie grafiek Analyse tekorten/overschotten op de arbeidsmarkt). In 2015 zal de situatie op de arbeidsmarkt echter ingrijpend zijn gewijzigd. Tegen een achtergrond van 'vergrijzing' (de mensen worden steeds ouder) en van 'ontgroening' (het aantal kinderen per echtpaar duikt aanzienlijk onder de 2,15 die nodig zijn voor zelfhandhaving) van de autochtone bevolking zal de instroom op de arbeidsmarkt voor een steeds groter deel uit minderheden moeten gaan bestaan. Gebeurt dat niet, dan onstaan er grote tekorten aan arbeidskrachten.

De KPMG-BEA-rapporteurs gaan voor 2015 uit van twee door het Centraal Planbureau ontwikkelde economische scenario's: het pessimistische 'global shift'-scenario en het meer optimistische 'balanced growth'-scenario. In 2015 zijn er in beide scenario's ongeveer een miljoen allochtonen beschikbaar voor de arbeidsmarkt. Als deze groep nauwelijks of niet participeert, ontstaan er in beide scenario's grote arbeidstekorten. Volgens het pessimistische scenario slaat dan een overschot van 500.000 personen 'met minderheden' om in een tekort van eveneens 500.000 personen 'zonder minderheden'. En volgens het optimistische scenario zou dan een fraai evenwicht op de arbeidsmarkt 'met minderheden' verkeren in een zorgwekkend tekort van een miljoen personen 'zonder minderheden' (zie nogmaals Analyse tekorten/overschotten op de arbeidsmarkt).

Het 'onheilspellende' aspect van deze prognose schuilt in de mogelijkheid dat bij niet-inschakeling van minderheden zowel arbeidstekorten als hoge sociale uitkeringen voor werkloze minderheden de economische groei sterk zullen belemmeren met alle maatschappelijke gevolgen vandien. En het 'veelbelovende' aspect zit in de kans dat bij succesvolle inschakeling van minderheden een weldadig evenwicht op de arbeidsmarkt in combinatie met beperkte sociale lasten de economische groei zullen stimuleren.

Consultant Ron Konijn: “De belangrijkste boodschap van ons rapport is dus: investeer en blijf investeren in allochtonen, ook al lijkt dat nu misschien nog niet zo urgent. De natuurlijke bevolkingsgroei in Nederland komt nu al voor eenderde bij hen vandaan en over 15 tot 20 jaar kun je ze absoluut niet meer missen.” Henk de Jonge vult aan: “Je moet de minderheden zien als een potentie die je hebt. Zij moeten in de toekomst een behoorlijk deel van je AOW verdienen.”

Toch blijken er vooralsnog talrijke barrières op de weg naar sociaal-economische emancipatie van minderheden. De belangrijkste is waarschijnlijk hun nog lage opleidingsniveau en beperkte taalbeheersing. Bij minderheden van de tweede en derde generatie zullen die problemen geleidelijk verdwijnen, voorzien de KPMG-BEA-rapporteurs. Toch zullen de allochtonen, volgens prognoses van het Centraal Planbureau, hun achterstand op autochtonen in 2015 nog lang niet hebben weggewerkt.

Dit mineure geluid wordt met zoveel woorden bevestigd in Theo Roelandt's recente dissertatie 'Verscheidenheid in Ongelijkheid'. “De helft van de Turkse jongeren reproduceert het ongunstige opleidingsniveau van de ouders”, noteert hij. “Bij Marokkaanse jongeren heeft slechts een kwart een diploma van het voortgezet onderwijs. Met andere woorden, driekwart van hen reproduceert het lage niveau van de ouders.”

Roelandt meldt daarom dat vooral wat Turkse en Marokkaanse jongeren betreft de seinen 'bijna allemaal op rood staan'. Tegelijk houdt hij nog een slag om de arm: “Niet meer dan eenderde van de (grootste) allochtone bevolkingsgroepen is in Nederland geboren...Van hen volgt tweederde nog onderwijs...Zij zullen betere onderwijskwalificaties behalen dan al werkende allochtonen...Over hun toekomstige positie op de arbeidsmarkt valt daarom nog weinig te zeggen.” Natuurlijk zal veel afhangen van de educatieve hulp-projecten die de overheid de allochtonen biedt. Maar dat degenen die Nederlands willen leren anno 1995 nog steeds worden geconfronteerd met forse wachtlijsten, stemt niet echt hoopvol.

Behalve met meer investeringen in (allochtonen)onderwijs kan de overheid nog veel meer doen, zegt consultant Henk de Jonge. “Wil je de potentie ven allochtonen benutten dan zul je moeten zorgen voor economische mogelijkheden en groei. Hoe kan de overheid dat stimuleren? Door flexibilisering van de arbeidsmarkt, dus een vrijere loonvorming en minder ontslagbescherming, en door versobering en vereenvoudiging van de sociale zekerheid.”

Wordt met dat laatste het probleem van de permanente werkloosheid niet vervangen door dat van de permanente armoede, zoals in de Verenigde Staten? De Jonge: “Als je de uitkeringen ineens fors zou verlagen misschien wel. Zoiets zou daarom voorzichtig en geleidelijk moeten gebeuren. Mijn persoonlijke mening is: Je moet het gewoon proberen. Het kan de werkkansen voor allochtonen alleen maar vergroten. En je kunt altijd achteraf ingrijpen, zoals ook gebeurde bij de herkeuringen voor de WAO.”

Dan is er natuurlijk het onlangs door de VVD opgeworpen probleem van de concentratie van allochtonen in grote steden waar het laaggeschoolde werk juist uit verdwijnt. Inderdaad zijn de minderheden in de vier grote steden met hun goedkope vooroorlogse woningen met een factor twee à drie oververtegenwoordigd. Sterker nog, zij zullen bij voortduring van de huidige trend in 2015 45 procent van die grootstedelijke bevolking uitmaken. De jeugd zal er dan zelfs in meerderheid allochtoon zijn.

Tegelijk krijgen die steden steeds meer een hoogontwikkelde 'post-industriële' economische structuur waarin de hoogwaardige dienstverlening domineert, terwijl industrieën en laaggeschoolde arbeid door hoge tarieven en vestigingseisen steeds meer naar de grote stads-periferie verschuiven. Wat te doen? 'Vrijwillig verspreiden', zoals de VVD onlangs wat los uit de pols riep? Volgens het KPMG-BEA-rapport over de economische betekenis van minderheden kan de 'ruimtelijke discrepantie' op de grootstedelijke arbeidsmarkt op twee manieren doorbroken worden. De eerste is het stimuleren van werkgelegenheid binnen de stadsgrenzen waarbij het gemeentelijke wervingsbeleid een belangrijke rol speelt. En voorts het bevorderen van de bereikbaarheid van lager geschoolde arbeid buiten de stadgrenzen door verbetering van het openbaar vervoer en verschuiving van sociale woningbouw naar randgemeenten.

Tot slot blijft de discriminatie in het wervings- en selectiebeleid een hindernis van belang bij het vergroten van het economische belang van minderheden. “Minderheden hebben minder kans op werk dan gelijk gekwalificeerde autochtonen”, oordelen rapporteurs Konijn en De Jonge. “Daarnaast werken minderheden die wèl een baan hebben vaak onder hun niveau en hebben zij nauwelijks promotiekans. Dat is pure economische verspilling.” Een bijkomend probleem is dat tweede of derde- generatie allochtonen weliswaar steeds meer op autochtonen gaan lijken, maar vaak nog worden beoordeeld naar de soms minder goede ervaringen met eerste generatie-allochtonen.

Verder blijft het ongelooflijk maar waar dat minderheden met allerhande kunstgrepen feitelijk worden geweerd uit sectoren als het taxibedrijf of de grafische sector. Of neem de bouw- en installatienijverheid waar in 1992 377.000 mensen werkten onder wie slechts 1900 allochtonen. “De omgangsvormen zijn er weinig subtiel en soms erg hard”, lichtte vorig jaar de Stichting Bouw Research toe in een rapport. “Discriminatie op de werkvloer komt vaak voor zonder dat de vertegenwoordiger van de dominante cultuur zich ervan bewust is.”

Mogelijk is er iets soortgelijks aan de hand in de Nederlandse strijdkrachten waar in 1993, volgens opgaven van het Centraal Bureau voor de Statistiek, slechts 600 van de 79.000 werkzame personen allochtoon waren. Hoogste tijd om de recruteerders van defensie op stage naar de VS te sturen waar de 'Forces' de opvang en integratie van minderheden tot kunst hebben verheven. En wat te denken van het zo florerende bank- en verzekeringswezen dat op een totaal personeelsbestand van 220.000 slechts 1200 allochtonen werk weet aan te bieden. Over lange termijn-visie gesproken.