Mitterrand wil met memoires het nageslacht weer verleiden

PARIJS, 11 APRIL. Het was bedoeld als een prestigieus en diep-menselijk gesprek tussen oude vrienden, over leven, geloof en moraal. Het werd een monoloog om het nageslacht te verleiden. In de laatste weken van zijn veertienjarig rijk zet François Mitterrand opnieuw enige streken op het doek. Dit keer is het de Nobelprijs-winnaar Elie Wiesel die hem terzijde staat bij het voltooien van zijn zelfportret.

Niet voor de eerste keer bepleit Mitterrand zijn onschuld in de oorlogsjaren, waarin hij een verantwoordelijke post bekleedde in het Vichy-bewind dat samenwerkte met de Duitse bezetter. Opnieuw verklaart Mitterrand een vriend te zijn van het joodse volk, waarvoor hij menige onbekend gebleven hulpactie op zijn naam schrijft. De religieus geïnspireerde agnost hoopt dat de geschiedenis hem gelijk geeft als hij, met Willy Brandt, zegt: “Ik heb gedaan wat ik kon”.

Het vandaag bij Odile Jacob uitgekomen boek heet Mémoire à deux voix, tweestemmige memoire. Het draagt de namen van twee gesprekspartners op de omslag, maar Wiesel, die in 1986 de Nobelprijs voor de vrede kreeg, zegt vanmorgen in een vraaggesprek met het dagblad Libération: “Het idee was een boek in dialoog-vorm te maken, juist omdat wij zo verschillend zijn. Ik ken Mitterrand al vijftien jaar van nabij. Ik had het opgevat als gesprekken tussen twee vrienden. Maar het is geen boek geworden met mijn herinneringen. De president formuleert zijn herinneringen. Het is zijn boek, meer dan het mijne.”

De aanstaande geboorte van deze dialoog voor één heer leverde Wiesel in 1993 een fel conflict op met Mitterrands vertrouweling Jacques Attali. In diens boek Verbatim, chronique des années 1981-1986, herinneringen uit zijn jaren aan de zijde van de president, komen passages voor die volgens Wiesel - inderdaad woordelijk - zijn ontleend aan de tweegesprekken tussen hem en de president.

Attali heeft bevestigd dat hij alle gesprekken op één na heeft bijgewoond, maar claimde over de zelfde onderwerpen vaker met Mitterrand van gedachten te hebben gewisseld. Attali erkende zelfs met de data van verschillende door hem gereleveerde gesprekken te hebben gerommeld, maar hield staande dat het niet om actuele zaken ging en dat, bij het verschijnen van zijn boek, geen contract was getekend met Wiesel zodat het hoogst onzeker was of van de Wiesel-Mitterrand gesprekken ooit nog een boek zou worden gemaakt. Bovendien: de president had de citaten in zijn boek gelezen en goedgekeurd. De twee uitgeverijen zijn elkaar uitgebreid voor de rechter in de haren gevlogen. Het boek met het tweegesprek ligt er nu toch.

Wiesel heeft in de loop van de afgelopen acht jaar met Mitterrand gepraat over diens jeugd, het hogere, oorlogen, litteratuur, macht en grote momenten. Hij heeft de president, althans in de nu verschenen en door de president helemaal gecorrigeerde weergave, niet zwaar aan de tand gevoeld over die voor Frankrijk beladen Vichy-periode. Mitterrand legt de nadruk op zijn eigen Duitse krijgsgevangenschap die hem belette kennis te nemen van de anti-semitische wetgeving in Frankrijk. “Toen ik me in vrijheid had kunnen stellen heb ik mij niet op de Staatscourant gestort om te kijken welke nieuwe wetten er waren afgekondigd. Ik heb de eerste gele jodensterren zien verschijnen. Ik wist dat er een Jodenstatuut was. Dat heeft me geholpen me te los te maken van een systeem dat zoiets accepteerde. Ik heb dat bestreden.”

Mitterrand wist dat er kampen waren, maar niets van de werkelijkheid daarbinnen was hem tijdens de oorlog bekend. Wiesel vraagt diepgaander en feller naar Mitterrands vriendschap met René Bousquet, de in 1993 vermoorde politiechef van het Pétain-regime die verantwoordelijk is geweest voor de deportatie van vele joden, meer dan van hem werd gevraagd. Mitterrand houdt vol dat hij Bousquet pas in de jaren '50 goed heeft leren kennen. Bousquet was toen een bekende en “gerespecteerde” figuur in de Parijse wereld van bank en bestuur.

Mitterrand veert op uit uit de filosfische overpeinzingen, die de sfeer van het boek tekenen en verdedigt zich met kracht. Bousquet was door een speciale rechtbank van oorlogsmisdaden vrijgesproken - een onnnauwkeurige samenvatting van het vonnis -, hij zat in directies en raden van commissarissen met vooraanstaande Fransen. Mitterrand wijst opnieuw, zoals rond het verschijnen vorig jaar van het boek over zijn jeugd van Pierre Péan, op zijn taak als president de Fransen te verenigen en te waken tegen verdeeldheid.

François Mitterrand verwijt zichzelf niets over zijn vriendschap met Bousquet. “Ik heb vrede met mijzelf”. Wiesel wil nog even nadenken over de uitspraken van zijn vriend Mitterrand. “Ik denk dat Mitterrand een vriend van het joodse volk is. De Bousquet-geschiedenis is wat anders. Daarin ben ik het niet met hem eens. ” Verder commentaar weigert hij in dit stadium. In zijn eigen memoires zal Wiesel zeggen wat hij echt van François Mitterrand vindt.