Meneer, ik ben zo moe

We naderen de poolcirkel. Het is bijna zeven uur in de morgen en er heerst een vreemde nerveuze stemming. We hebben twee dagen de tijd gehad om onze polshorloges in te leveren, 'met het oog op de grote magnetische veranderingen', stond er op het publikatiebord. Een flauwe zeemansgrap waaraan dertien nieuwe bemanningsleden gehoor hebben gegeven. Dertien! Plus één ... Glenn.

Glenn is de eerste echte neger aan boord. Hij is twee weken geleden in Den Helder opgestapt nadat iemand anders een been had gebroken. De stokers noemen hem nikker of aap en de seiners spreken hem aan met Zoeloe, de laatste letter in het NATO-spellingsalfabet. Maar het lijkt Glenn niet te interesseren. Hij gedraagt zich kalm en doet zijn werk, al begin ik voorzichtig het gevoel te krijgen dat er iets in zijn hoofd langzaamaan gaat koken.

Ik heb samen met Glenn - hij is verschrikkelijk zeeziek en totaal uitgeput - de nachtdienst gedraaid en we staan ons uit te kleden om een paar uur slaap te pakken als de deur van ons verblijf opengaat. Kwartiermeester Bijl staat in de deuropening en sommeert Glenn zijn kleren weer aan te trekken en zich 'ASAP' op de brug te melden. Glenn kijkt me hulpeloos aan en begint zich zonder morren aan te kleden. Ik besluit met hem mee te gaan om te zien wat er gaat gebeuren.

Eenmaal boven gekomen legt de eerste officier het hem uit. We kunnen elk moment de poolcirkel over varen en om de kompassen exact te kunnen ijken is het van groot belang dat er iemand op de bak gaat staan om het 'moment suprème' onmiddellijk te kunen doorgeven.

“Maar meneer”, smeekt Glenn met zijn temende Surinaamse accent, “ik ben zo moe.”

Lachend wuift de eerste officier Glenns tegenwerping van de hand en even later hijst kwartiermeester Bijl hem in een regenpak, hangt een verrekijker om zijn nek en loopt met hem mee naar beneden.

Daar staat Glenn. Arme Glenn. Hij heeft zich door Bijl veiligheidshalve aan de reling laten vastgespen en staat in de stromende regen, op zijn benen zwalkend, door zijn verrekijker in het zwarte water te turen.

“En Glenn, al wat te melden?” roept de officier in zijn portofoon. Krakend en bijna onhoorbaar horen we Glenn kreunen: “Niks meneer. Maar ik ben zo moe, ik ben zo moe...” Vanaf de brug zien we hem uitgeput over de reling hangen. Af en toe braakt hij en schokt met zijn hele lichaam tot er niets meer uit hem te persen valt. Het is druk geworden op de brug en er worden foto's genomen.

Na een tijdje meldt Glenn zich opnieuw: “Meneer, ik ben zo moe, meneer, ik kan niet meer, ik ga dood, ik...” Zijn stem stokt en we zien hem in elkaar zakken en overboord kiepen. Als een leeggelopen stootkussen bungelt hij boven het water.

Pas als twee matrozen hem op een oranje reddingsbrancard hebben afgevoerd trekken we traag, zonder dat iemand het merkt, de poolcirkel over. Een onvoorstelbaar helder kobaltblauw lint wordt onder ons door getrokken. Een wonder dat ik Glenn graag had gegund.

Bak: De voorplecht (het voordek) van een schip.