Het vijandige huis

Het was een buitenkansje, vonden wij. Een week lang logeren in het huis van Job en Ans, tijdens hun afwezigheid. Het was een negentiende-eeuwse dokterswoning. Een dubbele rijkversierde deur en aan weerszijden daarvan twee hoge ramen, vensters die 's avonds van binnen door vouwluiken konden worden gesloten. Een lange gang, breed als een vergaderzaal. Een nooit gemoderniseerde keuken waarin nog een vierkant Duits fornuis stond, grotendeels van porselein. Achter het huis lag een lange stille tuin met een natuurlijke vijver, fruitbomen, een gazon van lang geel gras en een open tuinhut waar Job, één met de natuur, wel 's een paar nachten doorbracht.

Het is niet onmogelijk, vertelde ik Marie, dat ik zijn voorbeeld ga volgen, voor een nacht.

De grote kamers waren schaars gemeubileerd, voornamelijk met crapauds. Er waren nogal wat vitrines aangebracht, waar vroeger misschien wel kostbaar glas was tentoongesteld. Tegenover de keuken was de studeerkamer; donker en stil, zoals een studeerkamer in het begin van deze eeuw hoorde te zijn. Aan de wanden uitsluitend boeken, vergeelde jaargangen van de Revue Psychologique, veel Couperus en de volledige Vondel.

Van de vele kamers boven, overbodig eigenlijk, waren slaapkamers gemaakt en badkamers. Job toonde mij - in mijn herinnering gebruikte hij daarbij een aanwijsstok - in de buurt van de zolder, tussen plafond en vloer, een soort platte koker, die ruimte had geboden aan twee man, tijdens de laatste oorlog.

Ans gaf ons instructies over de katten: niets doen, alleen elke avond melk klaar zetten en vlees uit het blik. Het waren wilde katten, vertelde ze. Ze had ze wel 's op bed, maar nog nooit binnen handbereik gehad. Schuw, maar trouw. Vreselijk lieve dieren.

En dan de pyromaan. We hebben hier de laatste tijd een pyromaan, instrueerde Ans - niets van aantrekken. Het blusapparaat, legde Job hulpvaardig uit, vind je aan het einde van de gang. Een pyromaan, zei Marie. Niets van aantrekken, herhaalde Ans beslist.

Toen ze vertrokken waren, zaten we in de grote leunstoelen tegenover elkaar en ik zei dat ik me heerlijk voelde. Dat van die pyromaan, zei Marie, had ze beter niet kunnen zeggen. Kom, zei ik, hoe vaak hebben we niet in een hotel geslapen zonder dat er brand is uitgebroken.

Het was half zes, nog net even tijd om wat inkopen te doen - zoals men dat doet in een dorp, de eerste dag van de vakantie. Het was geen dorp, maar een stad waar we logeerden. De winkels waren links en rechts naast de deur. Supermarkt, en een slijterij aan de andere kant; we waren gauw klaar.

Het is wel een erg groot huis, vond Marie, toen we die eerste avond dwalend elkaar in de gang tegen kwamen. En die katten dat is me ook wat.

Overdag maakten we fietstochtjes, 's avonds zaten we te lezen. Er was geen tv, het was helemaal ouderwets. Marie vond dat één fles genoeg was, maar ontkurkte later uit eigen beweging een tweede. En toen nog een derde. Per slot zijn we met vakantie, vond ik.

Het regende veel. Van de nacht in de tuinhut is niets gekomen. Uitgerekend de laatste nacht hadden we de brand. Aangestoken, dat was duidelijk. Marie meende nog dat ze een witte kat had zien wegschieten met een brandende fakkel als staart, maar die katten hadden er niets mee te maken. Het bovenlicht in de keuken was ingegooid. Voor het blusapparaat waar ik mee was komen aansnellen was het te laat geweest; het vuur was al uit. Dus toch, zei Marie.

We gingen weer naar bed, maar sliepen niet. We lagen doodstil op onze rug, luisterend. Hij komt niet terug, zo stelde Marie mij gerust.

'Hij' kwam een half jaar later terug, met meer succes. Het niet meer bewoonde huis brandde tot de grond toe af.

Hebben ze toch hun zin gekregen, zei Job.

Er staat nu een grote kledingzaak, glazen deuren die ook 's winters open staan. Popmuziek. Vanaf de overzijde van de straat is het moeilijk vast te stellen waar het oude, grote doktershuis heeft gestaan. De winkels vormen een vrolijke eenheid, een moderne rij schetterende gevels die elkaar goed gezind zijn.

Een mooi ding dat het weg is, zei de slijter, de mensen dachten dat de wereld hier ophield. Nu is dat laatste stuk er tenminste bij gekomen. Het loopt beter door, zo.