'Het minimumloon is een blok aan het been van werklozen'

DEN HAAG, 11 APRIL. Voor directeur prof. dr. B.M.S. van Praag van de Stichting voor Economisch Onderzoek der Universiteit van Amsterdam (SEO) is de constatering van een groep topambtenaren dat de arbeidsproduktiviteit van velen te laag is in verhouding tot de wettelijk laagste loonkosten en dat daarom het minimumloon omlaag moet, een open deur. Het roept bij hem een reactie op van: “Hè, hè, komen ze er eindelijk ook eens achter?”

Alleen willen die ambtenaren, wier advies zaterdag uitlekte, volgens de Amsterdamse hoogleraar nog lang niet ver genoeg gaan. Want ze willen alleen bepaalde nauwkeurig omschreven categorieën weinig produktieven (zoals schoolverlaters zonder diploma) gedurende beperkte tijd (vier tot zes jaar) dispensatie verlenen voor de Wet op het minimumloon. Als het aan Bernard van Praag ligt, dan gaat de bodem uit het hele loongebouw.

“In 1976”, zegt Van Praag, “schreef ik in een column voor het economenblad ESB al dat het minimumloon als laagst toegestane prijs voor de arbeid moest worden losgekoppeld van het zogenaamde bestaansminimum.

“Het minimumloon als laagste prijs voor de arbeid is een geweldig blok aan het been. Het drukt de onderkant van de arbeidsmarkt uit. Iedereen die niet in staat is om zijn of haar loonkosten goed te maken vliegt eruit of komt er niet in. Het is niet zo dat de overheid door sterke verlaging of afschaffing van het minimumloon asocialer wordt. De overheid kan haar sociale functie net zo goed en met minder kosten uitoefenen als het minimumloon wordt verlaagd terwijl het sociaal minimum overeind blijft.”

Het onderzoek dat drs. Esther Mot en drs. Aldo Paape van zijn SEO in opdracht van de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (OSA) hebben gehouden wijst uit dat er beneden het minimumloon een reservoir aan banen ligt dat erop wacht om aangesproken te worden. “Er zijn veel onvervulde behoeften”, zegt Esther Mot. Zo blijkt uit de enquête van SEO dat 35 procent van de tweeverdieners behoefte heeft aan gemiddeld vier uur huishoudelijke hulp in de week. Alleen willen die tweeverdieners daarvoor geen hogere vergoeding dan 12,50 gulden per uur betalen.

“Geen probleem,” zegt Van Praag. “Als mensen met dat bedrag niet minstens op het sociaal minimum uitkomen moeten ze maar aanvullende steun krijgen.” Van Praag rekent voor: “Stel iemand krijgt voor het doen van klusjes, voor het oppassen op kinderen of voor huishoudelijke hulp netto een tientje per uur. Als zo iemand 120 uur per maand werkt haalt hij op legale wijze 1200 gulden uit de markt. Als de overheid dan nog 500 gulden erbij legt, is iedereen beter af.

De werkloze gaat erop vooruit, want eerst had hij een bijstandsuitkering van zeg 1300 gulden en nu een loon van 1700 gulden. De werkgever is net zo duur uit, want die betaalt per uur inclusief sociale premies ongeveer 15 gulden wit en dat is net zoveel als de 15 gulden die voor dit soort dienstverlening op de zwarte markt wordt betaaald. En de overheid betaalt nog maar 500 gulden in plaats van de bijstandsuitkering van 1300 gulden. Is er dan geen sprake van verdringing, zal er gevraagd worden. Nee, wat verdrongen wordt is de zwarte markt. Zwart werk wordt gelegaliseerd. Dat maakt het idee aantrekkelijk.''

Volgens de hoogleraar werkt zo'n simpele verlaging of afschaffing van het minimumloon beter dan de 'glijdende schaal' die minister Melkert (sociale zaken) wil introduceren vlak boven het minimumloon. “Melkert verlaagt de loonkosten”, zegt Van Praag. “Dat zijn de kosten die de werkgever moet maken om iemand aan het werk te stellen. Maar stel dat daardoor niemand extra aan het werk komt. Dan moeten toch dezelfde uitkeringen worden betaald, terwijl er minder belastingen en premies binnenkomen. Daardoor nemen de lasten van de werknemers toe. Want iemand zal die uitkeringen toch moeten betalen.” Ook in loonkostensubsidies (te veel administratieve heisa) en tijdelijke dispensatie (geen structurele oplossing) ziet hij niets. “Over dat soort maatregelen praten we al vijftien jaar. Het haalt niet echt veel uit.”

Esther Mot, een van de samenstellers van het rapport Behoeften en effectieve vraag van alleen- en tweeverdieners, oppert dat het “psychologisch wellicht moeilijk is voor uitkeringsgerechtigden om aan het werk te gaan voor een geringer bedrag dan je met een uitkering ontvangt”. Van Praag peinst. “Die hobbel moeten we zien te nemen. Het is een calvinistisch beginsel dat je moet werken om te leven. In mijn ogen is het minder strijdig met datzelfde calvinisme als je voor de helft in je eigen onderhoud voorziet dan als je daar helemaal niet in voorziet. Bovendien hoef je mensen voor een aanvulling niet per se naar de sociale dienst te sturen. Dat kan de fiscus toch afhandelen met de werkgever.”

“Ja, maar creëer je hiermee geen tweederangs werknemers”, probeert Mot nog een keer. “Is het dan rotter om een aanvulling op loon te krijgen dan voor je hele inkomen bij de gemeenschap aan te moeten kloppen”, kaatst Van Praag terug. “Er is een culturele omwenteling noodzakelijk”, meent de hoogleraar. “Daar zullen we in Nederland toch aan moeten geloven. Door te stellen dat er beneden het minimumloon niet gewerkt mag worden zet je een rem op de arbeidsmarkt. Wie is tegen? De vakbonden natuurlijk. Die zien de bodem uit het loongebouw vallen. Vakbonden vertegenwoordigen de werkenden. En die willen niet het risico lopen dat ook hun loon zakt. Kok en Melkert kiezen ook voor die behoudende lijn.”

Van Praag somt nog eens de drie voordelen op die hij ziet bij afschaffing danwel sterke verlaging van het minimumloon. “De uitkeringslast van de samenleving gaat omlaag. De premie- en belastingdruk kan daardoor dalen, hoe je die lasten dan verder ook verdeelt. Een aantal uitkeringsgerechtigden krijgt weer een maatschappelijke taak: ze kunnen weer wat gaan doen. En er ontstaat extra persoonlijke dienstverlening die een smeermiddel vormt voor de economie: kinderopvang, huishoudelijke hulp.” En de grootste bate is volgens hem dat het zwarte circuit in belangrijke mate wordt opgerold.

SEO heeft de mogelijkheden onderzocht van werkgelegenheidscreatie zonder vergroting van de collectieve sector. Het onderzoek richtte zich op de potentiële koopkrachtige vraag van consumenten, in het bijzonder van de tweeverdieners in Nederland. 'Tweeverdiener' wordt gedefinieerd als “een huishouden bestaande uit twee partners met of zonder kinderen, waarin de hoofdkostwinner betaald werk doet en de partner van de hoofdkostwinner ten minste 20 uur per week (betaald) werkt. Er blijken 850.000 van deze tweeverdienershuishoudens te zijn. In dezelfde leeftijdsgroep zijn er ongeveer 1,4 miljoen eenverdienershuishoudens. In de tweeverdienershuishoudens zijn beide partners relatief hoog opgeleid. Ze verdienen door de bank genomen ook aanzienlijk meer en houden meer van hun inkomen (ongeveer 800 gulden per maand) over dan eenverdieners (250 gulden).

Lediging van onvervulde behoeften zou maximaal kunnen leiden tot 123.000 extra volledige banen. De meeste werkgelegenheid zou ontstaan op het gebied van huishoudelijke hulp (69.000 volledige banen). “Als een deel van die banen door parttime werkers wordt ingenomen gaat het om nog veel meer banen”, zegt Van Praag. “En dan zijn nog niet eens de behoeften bij bejaarden meegenomen. Daar is ook een heel reservoir aan onbevredigde behoeften aan te boren. De behoeften aan de onderzochte diensten kan nog groter worden als ook bijstandsmoeders op grotere schaal aan het werk gaan. Wij hebben alleen de kapitaalkrachtigen geïnterviewd. Er zijn nog veel meer potentiële opdrachtgevers.”

Opdrachtgever OSA gaat liever uit van de minimale schatting van SEO, waarbij met allerlei belemmeringen wordt rekening gehouden. In deze conservatieve variant neemt de werkgelegenheid met 47.000 arbeidsjaren toe. Kinderopvang en huishoudelijke hulp zijn in deze variant de populairste onvervulde behoeften. “Er liggen nieuwe markten voor het grijpen”, zegt directeur dr. Henk van Stiphout van opdrachtgever OSA. Hij noemt schoonmaakbedrijven die voor bijvoorbeeld driehonderd gulden aanbieden de grote zomerschoonmaak te doen en boodschappen/bezorgdiensten als voorbeeld. “Wij hebben de behoefte aan diensten in kaart laten brengen. Het is nu aan de ondernemers om die markten op een creatieve wijze aan te boren”, aldus Van Stiphout.