Hagen een fenomeen, maar Berk helaas niet

Voorstelling: Rotmoffen en kaaskoppen, van en met Eva-Maria Hagen en Marjan Berk, naar een idee van Tassy Schmid. Met: Siegfried Gerlich (piano), Ruud-Jan Bos en François van Bemmel (beiden gitaar). Gezien 8/4, Rotterdam, Theater Zuidplein. Tournee.

Rotmoffen en kaaskoppen heet het programma en die titel duidt op controverse en confrontatie, zeker als het podium wordt gedeeld door een Duitse zangeres en een Nederlandse cabaretière. En zo marcheren ze ook op, Eva-Maria Hagen en Marjan Berk. De eerste van hun kwasi-spontane dialogen ontspint zich. Of liever, het eerste van de serie kleine oppervlaktegesprekjes over Oost-Duitsland na 1945, waar Berk Hagen aan onderwerpt, eer die laatste een volgend lied mag zingen. Hagen krijgt (neemt?) nooit de kans om Berk iets te vragen en dat is jammer. Want zo vreemd als de oerhollandse Berk aankijkt tegen het Stalinistische juichlied over elektriciteit uit Hagens jeugd, zo merkwaardig zou de Oostduitse Hagen Berks zeer Nederlandse jaren vijftig in min of meer onafgebroken zwangerschap (vijf kinderen op een rij, als ik het goed begreep) kunnen vinden, of haar typerende geworstel met de seksuele revolutie in de jaren zestig. Nu blijft het bij lacherig gezwets, van Berk en van de weeromstuit ook van Hagen, hoewel die daar helemaal geen aanleiding voor heeft.

En die ongelijkheid sijpelt door. Berk en Hagen zijn eenvoudig niet aan elkaar gewaagd. Eva-Maria Hagen is een fenomeen en Marjan Berk niet en dat wordt niet opgelost door Berk tweemaal als een soort schooljuf achter een katheder te laten schuiven en een van haar korte verhalen te laten voorlezen. Die verhalen zijn geslaagd, daar gaat het niet om, maar ze horen niet thuis in dit programma. Met rotmof of kaaskop hebben ze niet van doen, ze dienen slechts om Berks tekort te verhullen en dat lukt niet. Waar Berks naoorlogse lief en leed wordt weergegeven in lacherig gepeuter en zwakke liedjes van haar eigen hand, zingt Hagen de sterren van de hemel in liederen van Wolf Biermann over oud en wijs worden achter het ijzeren gordijn. Hagen is een présence van jewelste met dat knarsende, typische Duitse vrouwengeluid dat zich zo geslaagd laat begeleiden door een slinkse pianist als Siegfried Gerlich is. Naast haar gaat Berk verloren met haar dunne geluid en verlegen bewegingen. Ze probeert zich te redden door Hagens kunst te omlijsten, met opzettelijk krom Duits en buurvrouwachtig lollig doen. Hagen laat zich dat aanleunen, haalt adem, draait een woeste pirouette en zingt weer zo'n opstandig lied van hartstocht en woede.