Een schraal woestijnparadijs

Ik ben hier nu al een paar weken, in het Egyptische oasedorp Farafra, maar leuk is anders. Ik had me nog wel verheugd op een maandenlang verblijf in dit schilderachtige oord waar ik in een fraai beschilderd lemen huisje woon met een dakterras dat bijna over het hele dorp uitkijkt. Het dorp is van alle kanten ingesloten door woestijn die zich naar het oosten toe uitstrekt tot aan de Nijl en naar het westen en zuiden toe onafgebroken doorloopt tot in Libië en Soedan.

Het dorp Farafra ken ik van vroegere reizen en ik streek er deze winter neer om een boek te schrijven over dit woestijnplaatsje waar niets meer hetzelfde is als een aantal jaren geleden. Farafra lijdt aan groeistuipen. Het gebied met Farafra als middelpunt is door ambitieuze politici en beleidsmakers gebombardeerd tot Egyptes toekomstige graanschuur. Je kunt je een armetierig dorp met slechts vijftienhonderd inwoners moeilijk voorstellen als de hoop der natie, maar toch is het zo. Diep onder de grond, opgeslagen in zandsteenlagen, bevindt zich een enorm zoetwaterreservoir dat de regering wil benutten voor het bevloeien van dorre woestijnbodem. Honderdduizenden feddan woestijnland moeten in cultuur worden gebracht door tienduizenden boeren die nu nog in de overbevolkte Nijlvallei huizen. Zeven jaar geleden verschenen de eerste fel oranje gekleurde 'shovels' die, gehuld in wolken grijze kalkstof, als ijverige mieren grond verplaatsten om een labyrint van diepe waterkanalen te graven. Jarenlang hoorde je in de woestijn de boortorens zuchtend en kreunend hun werk doen. Technici en ingenieurs kwamen met de bus uit Kairo en brachten de geur van de grote stad met zich mee. Zonnebrillen, vlotte pantalons en een air van belangrijkheid. Ze vielen uit de toon in het dorp, deze jongemannen, maar hun komst veranderde niets. Alles bleef bij het oude en niemand geloofde dat Farafra een paar jaar later onherkenbaar zou zijn veranderd.

Ik voorzag een flink aantal eenzame avonden en deed in Kairo niet zuinig met het inkopen van zoetigheden en andere lekkernijen. Evenmin bezuinigde ik op de inboedel. Lampjes met een hoog boudoir gehalte, kleurige vloermatten, kussens, posters, kaarsen en wierook moesten mijn tijdelijke onderkomen opfleuren.

Toen ik mijn spullen bij aankomst in het duister ongezien mijn huisje binnendroeg was dat de eerste en laatste keer dat ik mij onbespied waande. Het was al bijzonder dat ik als vrouw alleen in een huisje mocht wonen, dus ik zal mij niet beklagen over alle ongemakken, de verschrikkelijke kou en de grote eenzaamheid die ik misschien wel zelf over mij afriep. Maar het moet gezegd dat een boek willen schrijven over sociale veranderingen één ding is, in Farafra wonen om te begrijpen wat daar aan de hand is, is van een totaal andere orde. Wat mij vooral moeilijk valt in deze weken is de afhankelijkheid van anderen, de taalbarrière (dialect) en een knagende onzekerheid over mijn gedrag als alleenstaande vrouw in een besloten arabische gemeenschap. Deze combinatie maakt dat ik mezelf bij herhaling uit bed moet trekken om met flinke weerzin aan de dag te beginnen.

Het grondwater dat eeuwenlang onder de grond rustte, perst zich nu met grote vaart uit de roestige pijpen omhoog en stort met donderend kabaal in de irrigatiekanalen om vandaar naar de akkers te stromen. Boeren uit de Nijlvallei bevolken langzaam maar zeker de nieuwe nederzettingen. Hun is een paradijs beloofd, maar de schrale woestijngrond heeft wel drie jaar nodig voordat het iets opbrengt en niet iedereen houdt het zolang vol. Overal heerst bedrijvigheid. Vrachtwagens met bouwmaterialen en kunstmest rijden af en aan. Asfaltwegen worden aangelegd. Tientallen arbeiders uit Assioet hakken langs de weg bouwstenen uit grote brokken kalk, klimmen op ladders en steigers met emmers specie, werken zich uit de naad van zonsopgang tot zonsondergang.

Farafra is Farafra niet meer. Het ingeslapen dorp is ruw wakker geschud nu vreemdelingen de dienst uitmaken en goochelen met termen als infrastructuur, afzetmarkt en produktie. Hard werken is de norm. Het is niet dat ze lui zijn in Farafra, maar alles op zijn tijd. Waarom zou je meer en harder werken als je alles wat je nodig hebt gewoon uit de tuin haalt en een deel van de opbrengst van het land verkoopt om kleding en schoolgeld van te betalen?

Mijn sympathie ligt onwillekeurig bij de dorpelingen die geen reden zien hun kalme voorspelbare bestaan te verruilen voor een leven waarin tijd en geld een beslissende rol spelen. Maar de nieuwe burgemeester met zijn grootse plannen en zijn haast om veranderingen door te voeren laat hen weinig ruimte. “Weet je hoe er hier gewerkt werd toen ik kwam?” De burgemeester snuift verachtelijk, “van de zes uur dat ze iets moeten doen werden er vier besteed aan thee zetten, thee drinken en heen en weer naar huis lopen om te eten. Dat gebruik heb ik afgeschaft.” Een triomfantelijke blik.

De 'raiz' met een ego dat steeds gestreeld wenst te worden staat me tegen. Maar gek genoeg is zijn familie de enige bij wie ik me thuisvoel. Zij zijn in Farafra, net als ik, buitenstaanders.

Om de dag krijg ik arabische les van de onderwijsinspecteur meneer Sadiq die me in snel tempo leert lezen en schrijven. Zijn vrouw en kinderen helpen mee. Op een keer heeft hij een gast, een onderwijsinspecteur uit een naburige oase, die mij verdenkt van spionage. Want waarom neem ik anders de moeite het ingewikkelde arabisch onder de knie te krijgen. “Wat doet u hier? Bent u getrouwd? Wat vindt uw man hiervan? Waarom doet u zoveel moeite onze taal te leren? Wat zoekt u in de woestijn?” Hij blijft mij maar doorzagen over mijn motieven en plotseling daagt het mij dat in heel Farafra nog niemand mij dit soort dingen heeft gevraagd. Met een soort vanzelfsprekendheid woon ik midden in het oude dorp. Ze vinden me wel vreemd omdat ik regelmatig met kamelen de woestijn in trek en nu alleen in een huis woon om iets over hun dorp te leren, maar niemand is opdringerig of openlijk vijandig. Door alle moeite die het me kost om me enigszins op mijn gemak te voelen in dit dorp, merk ik nu pas - door het gedrag van de inspecteur - dat de inwoners veel meer van mij accepteren dan ik denk.

Met een vederlicht gevoel begeef ik me op weg naar mijn huisje. Een jongen op de fiets staat bij mijn deur te wachten. “Mijn vader wil dat je naar ons toekomt”, hij slaat de ogen neer. Het is de zoon van Omar, een kennis uit het dorp. Voor het eerst sinds mijn aankomst moet ik een uitnodiging afslaan omdat ik al ergens anders te eten ben gevraagd. Het gaat goed!