Communautair

Het debat over de positie van Nederland bij de herziening van het verdrag van Maastricht lijdt ernstig onder spraakverwarring. Hoofdoorzaak is dat het woord 'communautair' in vier betekenissen wordt gebruikt.

Ten eerste geldt het als bijvoeglijk naamwoord bij de Gemeenschap met een hoofdletter. Dit ligt voor de hand omdat daarvoor geen ander adjectief ten dienste staat. In deze zin gebruikte Heldring het in NRC Handelsblad van 4 april, waar hij schreef dat het Nederlandse ontwerp voor Maastricht communautair was. Dit klopt, omdat daar alle taken van de huidige Europese Unie onder de hoed van de Gemeenschap waren gebracht.

Ten tweede wordt het woord gebezigd voor procedures van besluitvorming bij meerderheid. In die zin komt het bij Heldring elders in hetzelfde stuk voor. Dit mag uiteraard, maar het is niet consistent met de vorige betekenis. Immers het Nederlandse ontwerp onderscheidde zich juist niet door afbreuk aan het vereiste van unanimiteit. Bovendien is dit woordgebruik ook op zichzelf onhandig. Immers dan zouden werkwijzen van de Veiligheidsraad der VN, van het IMF en zo meer ook communautair geen heten. Het verdient daarom de voorkeur beslissingen bij meerderheid, waarbij lidstaten kunnen worden overstemd of 'overruled', ongeacht of het gaat om Raad, Commissie, Parlement of Hof, te kenschetsen als supranationaal.

Een derde betekenis vinden we in de nota van minister Van Mierlo en staatssecretaris Patijn van 28 maart jl. over Europees optreden in buitenlandse politiek en veiligheid. Daar staat communautair omschreven als: op basis van het exclusief initiatiefrecht van de Commissie, met betrokkenheid van het Europees Parlement en met een toetsende rol van het Hof van Justitie. Ook dit mag maar het is eveneens onhandig. De genoemde kenmerken gelden namelijk niet alle drie voor het hele terrein van de Gemeenschap. Exclusief initiatiefrecht (wat wil zeggen dat de Raad alleen mag beraadslagen op basis van een voorstel van de Commissie en daarvan vervolgens alleen bij eenstemmigheid mag afwijken) is enkel van toepassing op wetgeving. Omdat buitenlandse politiek zelden een legislatief karakter zal dragen, wordt zo een debat over al dan niet communautarisering ervan al bij voorbaat heel schimmig. In elk geval brengt deze terminologie mee dat de Gemeenschap (op gebieden als begroting, Economische en Monetaire Unie, prijsbeleid, verdragen) zelf niet communautair is.

Ten vierde vindt men het woord communautair wel gebruikt in de betekenis van: met enigerlei betrokkenheid van Commissie en Parlement. Daarmee verliest het evenwel zijn onderscheidend vermogen. Het is dan verenigbaar met een procedure waarbij Commissie en Parlement hun standpunt aan de Raad mogen voorleggen zonder verplichting voor die Raad om van deze adviezen ook kennis te nemen. Zo was en is het bijvoorbeeld in de zogeheten samenwerkingsprocedure gesteld met amendementen van het Europees Parlement.

Ten slotte is het ongelukkig dat het kabinet blijkens de genoemde nota meedoet aan de ingeslopen mode om de spreken over “intergouvernementeel bij meerderheid van stemmen”. Op blz. 1 van het standaardwerk van Kapteyn en VerLoren van Themaat over de Europese Gemeenschappen (1987) wordt het begrip intergouvernementeel mede gekenmerkt door het vereiste van unanimiteit. Waarom opeens van een door gezaghebbende bronnen gedekte gewoonte afgeweken?