Veel verschillen in Matthäus Passion

Concert: Matthäus Passion van J.S. Bach door Radio Kamerorkest, Ned. Kamerkoor, Amsterdam Baroque Choir en Sacramentskoor Breda o.l.v. Ton Koopman. Gehoord: 8/4 Muziekcentrum Vredenburg Utrecht.

Concert: Matthäus Passion door de Nederlandse Bachvereniging en Jongenskoor St. Bavo Haarlem o.l.v. Gustav Leonhardt. Gehoord: 9/4 Grote Kerk Naarden. Herhalingen o.l.v. Gustav Leonhardt: 13, 14, 15/4 Naarden (uitverkocht); o.l.v. Jos van Veldhoven: 10/4 Enschede; 11, 12/4 Utrecht.

Het intrigerende van de 'authentieke' muziekpraktijk blijft dat het strenge uitgangspunt van nauwgezette reconstructie telkens opnieuw zulke verschillende resultaten oplevert. Maar veel verbazingwekkender is nog dat ook de strengste authentiekelingen compromissen sluiten met de omstandigheden van de hedendaagse uitvoeringspraktijk. Na Nikolaus Harnoncourt deed Ton Koopman dat de afgelopen jaren ook bij het op modern instrumentarium spelende Concertgebouworkest. Dat was gisteren ook het geval toen hij - terwijl het Concertgebouworkest op tournee in Amerika is - de traditionele Palmzondag-uitvoering in het Amsterdamse Concertgebouw bracht met het Radio Kamerorkest, waarvan hij chef-dirigent is.

Zelfs Gustav Leonhardt, die dezer dagen voor het eerst bij de Nederlandse Bachvereniging de Matthäus Passion dirigeert, levert, zoals hij zelf in het programma opmerkt, zeker geen reconstructie van de Goede Vrijdag-cantatedienst in de Thomaskirche in Leipzig, zoals Bach die in de jaren 1729 en 1736 leidde. Bij Bach hoorde men in koren en solistenpartijen uitsluitend jongens- en mannenstemmen, zoals Leonhardt ook in 1990 gebruikte op zijn cd-opname van de Matthäus Passion. Maar bij de Bachvereniging, die een 'authentiek' orkest heeft, klinken in het sterker bezette koor ook vrouwenstemmen en zingt bij de solisten een echte sopraan.

Ton Koopman gaat in de rekkelijkheid die hij de laatste jaren al toonde nog steeds verder. Bij hem zingen naast het jongenskoor niet alleen twee andere koren, maar zijn sterk dramatische uitvoeringsstijl is veel zwaarder, gedragener en dynamischer geworden: het is nog lang niet zoals bij Mengelberg en Klemperer, maar de koren klinken bij hem veelal veel luider en massiever dan vroeger. Leonhardt houdt alles veel kleiner, helderder en beweeglijker.

Dat blijkt ook uit de verschillen in uitvoeringsduur: 2 uur en 43 minuten zondag bij Leonhardt in Naarden en 2 uur 54 minuten bij de vooruitvoering die Koopman zaterdagavond in Utrecht bracht. En dan dirigeerde Leonhardt het slotkoor Wir setzen uns mit Tränen nieder veel langzamer dan Koopman.

Ondanks de inzet van vrouwenstemmen is Leonhardt veel strenger dan Koopman: hij brengt zijn Matthäus alleen in de kerk (Jos van Veldhoven dirigeert de uitvoeringen in concertzalen), waar Bach klinkt met 'authentieke' akoestiek, die het werk bekroont met een religieus aura. En de Bachvereniging is (gelukkig) nog steeds wars van applaus, terwijl Koopman een paar jaar geleden er geen bezwaar tegen had toen een toehoorder na een aria 'Bravo!' riep.

De op zijn cd met veel 'zwelletjes' soms hinderlijk geaccentueerde ritmiek liet Leonhardt nu achterwege. Als geheel komt de Matthäus van Leonhardt daardoor dicht in de buurt van de uitvoeringen zoals Koopman die jaren geleden dirigeerde bij de Bachvereniging. Het opvallendste verschil met toen is dat Leonhardt een minder muzikanteske omlijsting geeft van de Evangelistpartij. Koopman verzorgt altijd zelf op een positief-orgeltje het continuo-spel en doet dat met inzet, dramatiek en versierende zwier. Bij Leonhardt klinken positief èn cello geheel voorspelbaar en dus nogal saai.

Zowel bij Leonhardt als bij Koopman bleek de orkestrale kwaliteit niet ideaal, vooral niet in de hobo-partijen, terwijl ons land daarin sinds Haakon Stotijn een grote traditie heeft hoog te houden. Als geheel zou het 'authentieke' orkest van de Bachvereniging beter moeten kunnen spelen. En de solistische prestaties van het Radio Kamerorkest blijven achter bij die van het Concertgebouworkest, al was de vioolbegeleiding in Erbarme dich heel fraai.

Bij de keuze voor de solistencasts blijkt een grote mate van uitwisselbaarheid tussen Leonhardt en Koopman: Christoph Prégardien en Klaus Mertens, die op Leonhardts opname zongen, traden nu op bij Koopman, die al vaker met hen werkte. De imposante bas Peter Kooy en countertenor Kai Wessel, bekend van uitvoeringen van Koopman, zingen nu bij Leonhardt. De Christus wordt bij Leonhardt gezongen door Max van Egmond - met wie hij talloze opnamen van Bach-cantates maakte en wiens stem er nog steeds mee door kan.

De Christus van Anton Scharinger bij Koopman is degelijker en voller, maar klinkt ook veel eenvormiger. Klaus Mertens (bij Koopman) leek nu sterker gemotiveerd dan voorheen en Kai Wessel (bij Leonhardt) had een wat vaster en steviger stemgeluid dan vroeger. Wessel werd bij Koopman natuurlijk overtroffen door Michael Chance, die ondanks een iets materiëler geluid dan vroeger, nog steeds een fenomeen blijft.

Bij de tenoren ging de strijd gelijk op: Markus Schäfer klinkt bij Leonhardt soms wat onbeheerst, Rainer Trost demonstreerde bij Koopman een mij al te pregnant timbre. Het strakke, doordringende stemgeluid van de sopraan Monika Frimmer (bij Leonhardt) benadert dat van een hobo, terwijl Barbara Schlick (bij Koopman) zong als een fluit - wat in Aus Liebe toch mooier klonk.

Beide evangelisten leverden hoogst opvallende en sterk meelevende prestaties. Christoph Prégardien heeft een indrukwekkend rijk gevarieerde expressie. Maar Nico van der Meel blijft met zijn blanke timbre mijn favoriete Evangelist: hij zingt de partij uit het hoofd en toont in zijn verwondering en woede over het lijdensverhaal dat hij vertelt veel subtiele mimiek. Het lijkt perfect acteren maar het komt over alsof hij wordt beheerst door de Heilige Geest.