Schone lucht

DE KLIMAATCONFERENTIE van de Verenigde Naties in Berlijn is vorige week afgesloten en de platinaprijs op de wereldmarkt is omhoog geschoten. Dat laatste is wellicht van groter belang voor een toekomst met schone lucht dan het gepalaver van ministers, ambtenaren en milieulobbyisten in Berlijn. Want een Amerikaans bedrijf in New Jersey heeft een nieuwe katalysator voor auto's ontwikkeld die in staat zou zijn lucht te zuiveren. Amerikaanse automobielfabrikanten zijn enthousiast, de katalysator zou in 1998 in Amerikaanse auto's ingebouwd kunnen worden tegen een prijs die lager is dan de kosten van alternatieve programma's om luchtvervuiling tegen te gaan. De grondstof voor deze nieuwe katalysator - die volgens fabrikant Engelhard “bij gebruik in alle auto's van Los Angeles de lucht van de stad iedere dag tot een hoogte van vijf meter schoonmaakt” - is het metaal platina. Nadat vorige week woensdag deze ontwikkeling bekend werd gemaakt, vloog de prijs van platina omhoog.

In Berlijn is gedanst volgens het ritueel van VN-conferenties. Op de klimaatconferentie ging het om doelstellingen voor het jaar 2000 en later, met de gebruikelijke tegenstellingen tussen de industrie-, de ontwikkelings- en de olie-producerende landen, met de Verenigde Staten in de rol van ecologische boeman en Nederland als het land van de mondiale milieuvriendelijkheid. Nederland houdt zich aan de normen die zijn afgesproken op de milieuconferentie van 1992 in Rio de Janeiro, Nederland voert volgend jaar een energieheffing in en Nederland was in Berlijn met de grootste delegatie vertegenwoordigd. Maar liefst tweeëntwintig ambtenaren en politici, en milieulobbyisten in de officiële delegatie, bemoeiden zich met de subtiliteiten van de slotverklaring.

HEBBEN ZE BELANG, dergelijke verklaringen? Op de milieuconferentie in Rio van 1992 werd het zogenoemde bio-diversiteitsverdag getekend, dat landen moreel verplicht om wereldwijd het uitsterven van soorten te voorkomen - dus ook van vissoorten buiten de 200-mijlszone. Maar toen Canada dit als rechtsgrond aanvoerde om de Spaanse vissers bij Newfoundland aan te pakken, gaven de EU-landen volautomatische steun aan Spanje. Geen Europees land dacht aan het bio-diversiteitsverdrag, ook de Nederlandse milieu-ambtenaren aanvankelijk niet.

Met de resoluties van de Berlijnse klimaatconferentie zal het niet anders gaan. Ook al bestaan er voorzichtige wetenschappelijke aanwijzingen over het verband tussen klimaatveranderingen en energieverbruik, de vraag is of plechtige afspraken voor CO-vermindering hieraan iets zullen veranderen. Het is op korte termijn onmogelijk de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen (negentig procent van alle energiebronnen in de wereld) drastisch te verminderen zonder een groot welvaartsverlies te veroorzaken. Dat geldt voor rijke landen, waar de energie-efficiëntie weliswaar steeds groter wordt maar het totale energieverbruik niet daalt, en het komt nog harder aan in ontwikkelingslanden die energie-inefficiënt zijn en waar steenkool of hout de belangrijkste energiebronnen zijn. Geen wonder dat de ontwikkelingslanden in Berlijn niet tot nieuwe verplichtingen bereid waren.

EEN ANDERE overweging is dat de kosten van klimaatverandering en van investeringen in milieutechnologie het beste kunnen worden gedragen door economische ontwikkeling. Bij hogere welvaart beschikken samenlevingen over meer geld voor milieumaatregelen en voor energie-efficiëntie. Daarnaast kunnen subsidies op vormen van energiegebruik, die om economische redenen toch al onverstandig zijn, makkelijker worden geschrapt. Een dergelijke aanpak staat haaks op het doemdenken dat populair is in delen van de milieubeweging en het komt VN-bureaucraten of ambtenaren die geloven in klimaatbeheersing per resolutie misschien niet zo goed uit. Maar dat hun benadering niet werkt, heeft de onbevredigende afloop van de conferentie in Berlijn nog eens onderstreept.