Prestigeslag om beeldenaar Europese munt

VERSAILLES, 10 APRIL. Of de gemeenschappelijke munt er komt en wanneer is al een heet hangijzer in de Europese Unie, maar de naam en het uiterlijk van het betaalmiddel zal op zijn minst evenveel discussie vergen. De toon voor een lang prestige-debat daarover is dit weekeinde gezet op de halfjaarlijkse informele bijeenkomst van de Europese ministers van financiën en de presidenten van de centrale banken in de Franse voorstad Versailles.

Eerst de naam van de munt. De Fransen, dit halfjaar voorzitter van de Europese Unie, prefereren de term die al sinds de jaren zeventig gangbaar is: ecu, die staat voor de afkorting European Currency Unit. Duitsland en Oostenrijk zijn mordicus tegen die naamgeving. Het openlijke argument tegen de ecu is dat de Duitse kiezer, die toch al moet worden overgehaald zijn geliefde harde D-mark in te leveren voor een onzekere Europese opvolger, de naam van die opvolger niet wil associëren met de huidige ecu waarvan de waarde tegenover de mark structureel is verminderd.

Op de achtergrond speelt mee dat vóór 1789 de naam ecu door de jaren heen werd gegeven aan een grote verscheidenheid aan munten die op Frans grondgebied werden uitgegeven. De ecu is historisch gezien een nogal 'Franse' munt. Bankpresident W. Duisenberg wees dit weekeinde op de stille posities die Duitsland en Frankrijk ten aanzien van de ecu hebben ingenomen. In Franse officiële teksten staat de ecu vermeld als Ecu, met een hoofdletter dus, en duidelijk bedoeld als naam. In Duitse teksten wordt ecu daarentegen hardnekkig geschreven als e.c.u., met de nadruk op de afkorting.

Mocht de Ecu stuklopen op Duitse weerstand, dan is een alternatief geboden. In het verleden is van Britse zijde al eens de naam 'Monnet' geopperd, naar Jean Monnet, een van de grondleggers van de Europese Economische Gemeenschap. Duisenberg zelf kwam dit weekeinde na de bijeenkomst hardop denkend met de 'florijn' op de proppen; de vadermunt van de gulden, die in de Nederlanden in 1325 werd geslagen naar voorbeeld van de munten van de stad Florence, en waar de gulden nog steeds zijn afkorting 'fl.' aan ontleent. De Duitse minister van financiën, Waigel, zinspeelde dit weekeinde op de 'Euro-mark', maar waarnemers waren er dit weekeinde van overtuigd dat dit “fantasieloze” idee veel te Duits is om door de anderen te worden geaccepteerd.

Los van de naam van de munt is er het probleem hoe de honderdste eenheden moeten gaan heten. Hier is Europa grofweg verdeeld in 'pennies' (pfennig, pence en het oud-Nederlandse penning) en centen (de cent, centime en centavo), waarbij de Nederlandse voorkeur uitgaat naar de cent. Zo bestaat er de kleine kans dat de Europeaan in de toekomst zijn kopje koffie afrekent in florijnen en centen.

Het uiterlijk van de biljetten zal waarschijnlijk uniform worden, en in eerste instantie worden overgelaten aan een geselecteerd gezelschap van kunstenaars en historici. De biljetten komen er in coupures van 5, 10, 20, 50, 100, 200 en 500, waarmee Nederland zijn afwijkende stelsel van kwarten opgeeft. Voor een oorspronkelijk Duits idee om één zijde van de biljetten uniform Europees te maken, en de andere kant nationaal, bestaat weinig sympathie. Dat zou de kans op vervalsing vergroten. Een oplossing waarbij de nationaliteit van de biljetten toch zichtbaar is, is het kopiëren van het Amerikaanse systeem, waarbij een klein tekentje aangeeft door welke van de verschillende Federal Reserve Banks in de VS het biljet is uitgegeven. Duisenberg dacht aan een circeltje met de 15 Europese sterren, met daarin een nationaal symbooltje. Frankrijk kan daarvoor bijvoorbeeld de Arc de Triomphe gebruiken, Nederland een windmolentje.

Op de munten is voor zo'n compromis weinig plaats. Gepland zijn denominaties van 0,01, 0,02, 0,05, 01, 0,2, 0,5 1 en 2 valuta-eenheden. Vast staat dat voor deze munten de gedachte uitgaat naar twee verschillende materialen, zoals koper en nikkel. De Zweden zijn overigens tegen het gebruik van nikkel, wegens het gevaar voor allergische reacties, en dringen daarom aan op roestvrij staal of aluminium. Duitsland ziet het liefst munten die aan de ene zijde geelkleurig (koper) en aande andere kant blank (nikkel) zijn. Volgens ingewijden is aan die voorkeur niet vreemd dat de techniek die nodig is voor het slaan van dergelijke tweezijdige munten in Europa alleen bij een Duits concern (sommigen noemen Krupp) aanwezig is.

De Fransen namen al vast een voorschot door de aanwezige vergaderaars een set van speciaal geslagen munten te presenteren, in een fraaie cassette. Veelbetekenend was daarbij vooral het uiterlijk van de gepresenteerde 2 ecu-munt, het vlaggeschip van de verzameling: 27 millimeter in doorsnee, met een binnenste van blank metaal en een buitenrand van koper. Dat is een vrijwel exacte kopie van het huidige muntstuk van 10 franc.