Het gaat Somalië zo slecht nog niet na het vertrek van de VN

De VN-operatie in Somalië is ten einde. Is het land nu weer overgeleverd aan chaos en honger? Robbert van Lanschot denkt van niet. Centraal gezag ontbreekt, maar de rivaliserende stadstaten houden elkaar in evenwicht. Pogingen tot nationale verzoening zouden leiden tot dood en verderf.

Ik ben de laatste tijd nogal wat op pad geweest in Somalië en heb mij verbaasd over de vanzelfsprekendheid waarmee de internationale pers ervan uitgaat dat het in dat land opnieuw chaos wordt nu UNOSOM goed en wel vertrokken is. Ik heb juist de indruk dat het met Somalië de goede kant op gaat.

Eerst iets over dat vertrek van UNOSOM. Wat misschien maar weinigen zich realiseren is dat de UNOSOM-soldaten zich het laatste anderhalf jaar alleen in Mogadishu en een paar andere steden hebben laten zien. In de hoofdstad hebben zij nooit meer dan een paar punten in handen gehad: de haven, het vliegveld, het terrein van het UNOSOM-hoofdkwartier (gevestigd in de voormalige Amerikaanse ambassade) en een stuk of vier andere gebouwen. Over de rest van de stad hadden zij geen enkele controle, zelfs niet over die ene uiterst strategische weg van het vliegveld naar het UNOSOM hoofdkwartier. Die route, maar een paar kilometer lang, kon door UNOSOM alleen met zwaar bewapende konvooien worden afgelegd. Op de momenten dat er geen konvooi passeerde, was generaal Aideeds militie er de baas.

Voor zover er in het land al ergens blauwhelmen te vinden waren, zaten zij verschanst achter zandzakken en prikkeldraad. De afgelopen twaalf maanden traden zij - afgezien van de haven en het vliegveld van Mogadishu - nergens meer actief, regulerend op. Zij waren in het defensief. Bij de handhaving van rust en orde speelden zij geen rol meer. Hun vertrek hoeft op zich dus absoluut niet te betekenen dat het in Somalië weer een beestenbende wordt.

Er kan natuurlijk wel om andere redenen chaos uitbreken. Somalië heeft al jaren geen regering, geen centraal gezag meer. Voor ons in het Westen kan dat maar een ding betekenen: complete anarchie. Voor een land als Somalië gaat die veronderstelling echter niet helemaal op. Twee voorbeelden. Er bestaat in Somalië sinds 1991 geen nationale luchtvaartdienst meer. Er is, afgezien van de verkeerstoren in Mogadishu, in heel Somalië niemand meer die vanaf de grond de vliegtuigen instrueert welke vliegroute zij moeten volgen. Het Somalisch luchtruim is dus levensgevaarlijk. Verkeerde conclusie. Alle piloten in het Somalisch luchtruim stemmen af op dezelfde radiofrequentie en houden elkaar keurig van de eigen vliegbewegingen op de hoogte. En de afgelopen jaren heeft zich in het land, en er wordt echt druk gevlogen, geen enkel vliegtuigongeluk voorgedaan.

Nog zoiets: de Somali shilling. Al jaren is er geen Centrale Bank meer. De Somalische munt kun je dus aan de straatstenen niet kwijt. Alweer een verkeerde conclusie. De Somali shilling heeft bij het begin van de burgeroorlog inderdaad een duik gemaakt, maar sinds het midden van vorig jaar is hij ten aanzien van de dollar weer met meer dan honderd per cent gerevalueerd. Het vertrouwen in de Somalische munt strekt zich trouwens tot ver buiten het land uit. Zo is in een groot deel van Ethiopië en met name in de Ogaden (het door etnische Somali bewoonde oosten van Ethiopië) niet de Ethiopische munt, maar de Somali shilling het courante betaalmiddel.

Voor veel functies, die normaal gesproken door een overheid worden uitgeoefend, zijn in Somalië op nationaal niveau alternatieven gevonden. Maar er is nog iets anders aan de hand, iets dat veel buitenlandse waarnemers, omdat zij niet veel verder dan Mogadishu komen, is ontgaan. Er heeft zich een staatkundige revolutie afgespeeld, een revolutie die het land in belangrijke mate voor anarchie lijkt te zullen behoeden. Somalië kende in de jaren tachtig een sterk centralistisch staatsbestel, met aan de top dictator Siad Barre. Nu is het land in feite uiteengevallen in een reeks vrijwel autonome stadstaten. Op Somalië anno 1995 past het sjabloon van de gewone soevereine staat niet langer. Om het land te begrijpen is het beter om vergelijkingen te trekken met het oude Duitse Keizerrijk met zijn ontelbare vorstendommen of, misschien nog beter, met de Griekse stadstaten uit de klassieke oudheid.

Wat al die Somalische stadstaten met elkaar gemeen hebben is dat zij zichzelf, op hun lokale niveau, in veel aspecten uitstekend weten te bedruipen. Van overheidsdiensten is geen sprake. Maar voor veel is een noodoplossing gevonden. Natuurlijk hebben die stadstaatjes geen eigen energiebedrijf. Maar er zijn altijd wel een paar handige zakenlieden, die generatoren voor electriciteit hebben geplaatst. De bedradingen lopen als spinrag door de wijken en je betaalt per aangesloten lamp. Geen waterleiding meer. Het water wordt met ezelskarretjes rondgebracht en verkocht. Geen PTT meer. Maar in alle steden en ook in de grotere dorpen wordt met radioverbindingen contact met de buitenwereld onderhouden. De Keniaanse hoofdstad Nairobi, waar een omvangrijke Somalische gemeenschap zit, dient als een belangrijk doorgeefluik bij dit internationale berichtenverkeer. In een aantal steden zijn inmiddels gigantische, commercieel geëxploiteerde satellietschotels geplaatst. Internationaal bellen is daar geen enkel probleem en, vanwege de moordende concurrentie, nog spotgoedkoop ook. Geen banken meer. Maar een internationale geldovermaking is via de Somalische diaspora met een paar telefoontjes te regelen.

Als je in die nieuwe, economisch snel opkrabbelende stadstaten rondloopt - Kismayo, Luq, Baidoa, Bossaso, Merca, Brawa, Galcaio - krijg je de indruk dat men met Mogadishu niets te maken wil hebben. Tussen die staatjes, die meestal uit niet meer dan een stad en een omringend clangebied bestaan, is een nieuw machtsevenwicht tot stand gekomen. Agressie tegen je buur bekoop je met keiharde agressie tegen jezelf. Alle onderlinge oorlogjes die te voeren waren (over waterputten, tolrechten, een gestolen kameel) lijken de afgelopen jaren al wel zo'n beetje gevoerd te zijn. En over het hele land ligt nu een web van micro-arrangementen waarmee onderlinge wrijvingen in principe kunnen worden voorkomen. Zo vindt er in Luq, een stad in the middle of nowhere, een omvangrijke overslag van goederen plaats. Luq ligt op de breuklijn van twee clans die in onmin leven. Vrachtauto's van de ene clan kunnen het gebied van de andere niet in. Vandaar die overslag. Vreselijk onhandig, maar het werkt.

Wie hebben in die stadstaten de macht in handen? Dat loopt sterk uiteen. In Luq is een strenge, islamitische theocratie ontstaan. In een havenstad als Bossaso ligt de macht bij een onduidelijke mix van clanleiders en gefortuneerde kooplieden. Feit is echter dat je aan de top vrijwel nergens meer dat akelige archetype van de Somalische krijgsheer vindt die zijn macht vooral aan zijn kalasjnikovs ontleent.

Het nieuwe Somalië zoals zich dat nu buiten Mogadishu uitkristalliseert doet vreemd aan. Als de huidige trend zich voortzet, zal het in veel opzichten gaan lijken op het Somalië uit de pre-koloniale tijd: een wirwar van clangebieden zonder centraal gezag. Zo'n nieuw, gefragmenteerd Somalië biedt wellicht de beste kans op orde en vrede. Als dat inderdaad zo is, moeten we hopen dat de Somaliërs voorlopig een nationaal verzoeningsproces bespaard blijft. Een nationaal verzoeningsproces impliceert een onvermijdelijke herschikking van alle nu bereikte lokale akkoorden en bovendien een nieuwe, gevaarlijke, vooral in Mogadishu te bekokstoven blokvorming tussen de clans. Nationale verzoening betekent in de Somalische context op dit moment: nationale machtsstrijd. En wat in Somalië nationale machtsstrijd betekent hebben de rampjaren 1991, 1992 en 1993 afdoende geleerd.