Gesis van helse machines in Arti

Tentoonstelling De Uitvinders. De technologische tegencultuur. T/m 30 april. Arti et Amicitiae, Rokin 112, Amsterdam. Di t/m vr 12-18u, do tot 21u, za-zo 12-17u. Cassette ƒ 10,-.

Al op de trap komt het gekrijs, gebonk en gepiep je tegemoet. De tentoonstellingsruimte op de eerste verdieping van Arti is deze maand veranderd in een heksenketel van bewegende voorwerpen en apparaten. Manshoge kamerplanten rijden over rails voor het raam heen en weer, een machine spuugt sissend cornflakes in het rond, trommels roffelen, een vogelhuis klapt gillend open en dicht, bulderende stofzuigermotoren laten de bodem beven en uit een pijpje boven een drempel schiet bruine drab. Het voelt aanvankelijk onveilig om hier rond te lopen.

Misschien is het juist de bedoeling van Jos Houweling, hoofddocent Autonome Kunsten aan de tweede-faseopleiding van de Rietveld-Academie, en Sacha Bronwasser. Zij tweeën richtten de tentoonstelling over 'technologische tegencultuur' in. Techniek dus zoals ze kan zijn als ze geen nut dient, geen veiligheid of hulp biedt, maar voor geen ander doel wordt ingezet dan het maken van kunst.

Het tweetal nodigde twintig Willy Wortels uit, kunstenaars voor wie nieuwe ontwikkelingen op het gebied van techniek slechts 'een uitbreiding van hun gereedschapskist betekenen'. Geen wizz-kids die freaken op de digitale snelweg, maar die met behulp van lichtgolven, sensoren, software-apparatuur of eenvoudige schakelaars metaal, stof, aarde, plastic en hout tot leven wekken. Zo maakte Doctor Broadcast een 'warm' huisdier, een ontroerend varken van oplichtende was. Fred Abels toont een nieuwe versie van de eerste vliegpoging: een vogelachtig apparaat dat zich klapwiegend langs het plafond in beweging zet zodra je een hendel omtrekt. En Jeroen Henstra laat vijf roze onderbenen met puntige spitzen nu eens zacht verleidelijk, dan weer streng en indringend tegen de muur om aandacht tikken.

Veel van wat er te zien is, zet zich eerst in beweging of geeft geluid, als je aan een zaag trekt, met je voet op een pedaal drukt of een electronisch oog passeert. Het effect is grappig. Rondlopen door de zalen, geeft dat vrolijke gevoel dat je krijgt als je een dozijn speelautomaten door een druk op de knop tot leven wekt. Maar dan?

Sinds Duchamp een ronddraaiend fietswiel op een sokkel zette en ernaar keek alsof het vlammen in een haard waren, sinds Tinguely zijn mobiele beelden - z'n 'machines op vakantie' - maakte, kun je al spreken van 'technologische tegencultuur'. Vooral de beelden van Tinguely - ingenieuze constructies van spuitende slangen, draaiende cirkels, schijven en rechthoeken, vuurwerkspugende 'automobielen' die bewegen, bewegen en nog eens bewegen, soms snel en gelijkmatig, soms ook bruusk en zonder ritme - vormen de bron waar de 'uitvinders' in Arti zich aan laven. Maar wat ze van die dronk maken, geeft weinig reden tot optimisme.

De vogel van Abels - hoe lichtvoetig ook - haalt het niet bij Tinguely's apparaten die niet eens op een vogel hoeven te lijken, niet eens hoeven te vliegen, om op te stijgen. Bijdragen als de interactieve ficus, ananasplant en sprietplant van G-Brecht, zijn voor een moment aardig, maar het idee is flinterdun. En Harry Heyink is met zijn 'voorzetje', een waterspugende fluitketel, ronduit flauw.

De meeste kwaliteit komt uit de hoek van camara's en kijkdozen. Fraai zijn de groene, bruine en rode perspectief-kasten die Laura Kikauka maakt en waarin alles beweegt. Florian Göttke verleidt de toeschouwer om op een voetenbankje plaats te nemen voor een secuur afgewerkte langwerpige doos. Wie door de twee kijkgaten tuurt, zet een projector in werking. Voor het linkeroog verschijnt het stomme beeld van een sprekende mond, voor het rechteroog spiegelt het eigen oor zich. Bij elkaar ontstaat zo de vreemde mengeling van sprekend oor en luisterende mond.

Mechanische en electronische kunst 'leeft' van techniek, dat is een waarheid als een koe. Maar op de tentoonstelling in Arti komt het voor dat het varken niet brandt, de geluidsmuur geen geluid geeft, en het perpetuum mobile lekt. Onbedoeld kapot en voorlopig buiten gebruik? Of geven de kunstenaars aan dat techniek màg, maar niet per se hoèft te werken? Het is een mooie gedachte, maar een technologische tegencultuur is daarmee nog niet uitgevonden.