Bij de kapel weten ze het zeker: Gilbert va gagner

ROUBAIX, 10 APRIL. Gilbert va gagner, bien sûr! De bejaarden van het gehucht Viesly zijn het er gistermiddag over eens: hun al 40-jarige, populaire landgenoot Duclos-Lassalle - Gibus voor zijn talrijke supporters - gaat de wielerklassieker Parijs-Roubaix winnen. Zojuist hebben ze het nog complete peloton voorbij zien stuiven. Met als laatste man Prudencio Indurain, broer van de beroemde Tourheld Miguel. Niet zonder trots zagen ze dat de lange Spanjaard bij het passeren een kruis sloeg, net als enkele Italianen. Uit eerbied voor de Notre-Dame du Salut, een witte kapel aan het begin van de tweede kasseienstrook van de Noordfranse helletocht, ruim honderd kilometer van de startplaats Compiègne.

De kwetterende senioren zitten op witte banken onder drie bomen, die hun schaduw werpen op de kleine Notre-Dame. Het godshuisje is in 1730 met geld van de plaatselijke gemeenschap gebouwd. 'Behoed ons voor alle tegenslag', staat er op de voorkant geschreven. “Is er een toepasselijker tekst denkbaar voor de coureurs, die hier aan het echte zware werk van Parijs-Roubaix beginnen?”, vraagt een gemoedelijke dikke oude man, die al enkele glazen rode wijn in de kraag heeft. “Nee toch?” Hij moet hoesten. Van de stofwolk, teweeg gebracht door de rennerskaravaan, of van een net opgestoken Gauloise. Dan zegt hij: “Onze Notre-Dame heeft iets wonderlijks. Als het verschrikkelijk slecht weer is, met regen of zelfs onweer, dan nog is de lucht boven de kapel altijd blauw. Vorig jaar was dat óók zo, toen Duclos-Lassalle en zijn concurrenten drijfnat door het dorp reden.”

Gilbert va gagner, bien sûr. De fans weten het zeker. Het is 's ochtends half tien in Compiègne. Place général De Gaulle. De laatste voorbereiding van Duclos-Lassalle op Parijs-Roubaix is opmerkelijk. Als een soort aap in een kooi - supporters vergapen zich aan de Franse Bask en vragen een handtekening, terwijl de camera's zich op hem richten - zit hij wel een kwartier lang zwijgend op de motorkap van de ploegleiderswagen van sponsor Gan. De sfeer op het plein van de keizersstad is aangenaam, gezellig. Wielervolk gedraagt zich. Voor de eendagsvlieg Jacky Durand, eens winnaar van de Ronde van Vlaanderen, is een volle bus meegekomen. Achter de dranghekken zien duizenden toeschouwers hoe genodigden en journalisten praten en lachen met de renners. Andrei Tsjmil, de verrassende nummer één van 1994, concentreert zich in een auto. Een hand voortdurend aan de mond.

De langharige playboy Mario Cipollini, óók favoriet, hangt over zijn stuur en glundert naar de opgedofte mooie meiden. Terwijl de speaker een oorverdovend lawaai produceert, voorspelt Jean-Paul van Poppel dat het met hem vandaag niets wordt. De in het Belgische Poppel woonachtige Nederlander, wiens tongval zijn Tilburgse afkomst verraadt: “Ik heb allerlei klachten. Dit seizoen ben ik net een oud wijf. De finish in Roubaix haal ik niet. Misschien kan ik een ploeggenoot onderweg een wiel geven. Ik wou dat het voorseizoen voorbij was.” En Adri van der Poel: “Zon, nattigheid? Maakt me niet uit. Als ik maar goede benen heb, daar draait het om.”

Gilbert va gagner, bien sûr. Het Bos van Wallers, met een verwoestende strook kasseien. Er zijn nog ruim honderd kilometer af te leggen. Spandoeken vermelden dat Gibus het eeuwige leven heeft. De duizenden brengen enthousiast de handen op elkaar voor de onsterfelijke veteraan, die na een lekke band aan het front is teruggekeerd. Nu het droog en zonnig is mijden de de renners de 'stenen', maar sturen hun fiets door het aangenamere gras of de berm. Het valt op dat Duclos-Lassalle niet zo dominant is als voorheen. De Italianen, Franco Ballerini voorop, maken veel meer indruk.

Ballerini bereikt de wielerbaan van Roubaix als eerste. Vergeten zijn voor hem de nare ervaringen van de afgelopen jaren, toen hij met zijn krachten smeet, blunderde en verloor. Hij geniet op de oude baan, waar de stemming heerlijk is. De concurrentie druppelt binnen. Jeroen Blijlevens finisht als eenentachtigste, bijna twintig minuten na Ballerini. “Ik ben tot het einde doorgegaan, ik heb mooi het parcours verkend voor volgend jaar”, aldus de Brabantse optimist, die in Spanje al enkele aansprekende sprintzeges behaalde. “Ik ben pas 23. Ben ik een jaar of 27, 28, dan moet ik deze wedstrijd een keer kunnen winnen.” Hij is niet gesloopt, door de trillingen, de schokken en de slagen der kasseien. Hij wijst op zijn voorvork. “Heerlijk, die nieuwe vering.”

Wie de kleedruimte van Parijs-Roubaix betreedt, weet niet wat hij ziet. De oude locatie lijkt op een varkenshok. De renners zoeken er de soms haperende douches op, intussen geïnterviewd door journalisten. Jan en alleman kijken daarbij toe. “Het is een kot. Maar een klassiek kot, dat bij deze klassieker hoort”, meent Lars Michaelsen, vorige week woensdag winnaar van Gent-Wevelgem. “Ik heb genoten van de film Sunday in hell over Parijs-Roubaix. Met beelden van Eddy Merckx en Roger de Vlaeminck, in deze zelfde kleedkamer. Is het niet fantastisch dezelfde kraan open te draaien die de grote Merckx hanteerde?”

Een paar meter verder staat Duclos-Lassalle. Foeterend op de media. “Na mijn materiaalpech hield een overspannen cameraman de volgauto's op. Ik moest te lang wachten op een nieuw wiel. Verdomme.” Gibus komt nog één keer terug in Parijs-Roubaix. In 1996, op eenenveertigjarige leeftijd. Gilbert va gagner, bien sûr.