Zes keer heen en weer tussen Letland en St. Petersburg; Honderd asielzoekers in twee wagons

KARSAVA, 8 APRIL. Voor het middelpunt van een diplomatiek en humanitair schandaal ziet het dorpje Karsava in Letland er op het eerste gezicht rustig uit. Tussen de heuvels staat een rijtje houten huisjes langs een dorpsstraat die uitkomt op een bijna verlaten stationnetje. Maar dat stationnetje wordt streng bewaakt door eenheden van de Letse grenstroepen. “Wegwezen, dit is een militair object”, roept een jonge soldaat. “U heeft een fax nodig van de commandant.”

In dit dorpje op zes kilometer van de Russische grens zitten sinds twee weken 104 asielzoekers uit het Midden-Oosten opgesloten in twee treinwagons. De vluchtelingen waren via Letland op weg naar Zweden toen hun schip op de Oostzee aan de grond liep. Dat was al op eerste kerstdag. Sindsdien hebben de Letse autoriteiten op allerlei manieren geprobeerd van hen af te komen. Laatstelijk door ze op 24 maart in twee treinwagons te stoppen, de deuren te vergrendelen en de wagons te koppelen aan de sneltrein naar St. Petersburg. Deze poging mislukte doordat de Russen aan hun kant van de grens de wagons ontkoppelden en terugstuurden. Zes keer zijn de 33 mannen, 24 vrouwen en 53 kinderen zo tussen beide landen heen en weer gereden. Onder aanhoudende druk van het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen (UNHCR) hebben de Letten gisteren aangekondigd de asielzoekers uit hun benarde positie te bevrijden; ze gaan naar een gevangenis.

Het station van Karsava is vanuit het dorp weliswaar afgesloten, maar het boemeltje uit Rezekne rijdt er ongehinderd binnen. Het stopt zelfs pal naast de twee wagons. Vandaaruit klinkt onmiddellijk gebonk en geroep zodra iemand wordt gesignaleerd die belangstelling toont voor de inzittenden. “Help ons, wij zijn vluchtelingen”, klinkt het gesmoord door de kleine, open bovenraampjes. Onder het uiteinde van één wagon, waar zich kennelijk de wc bevindt, heeft zich een metersbrede bruine plas gevormd.

De ene dorpeling die uit het boemeltje stapt wendt zich vol afschuw af.

Binnen krioelen de kinderen door de gangen. In de coupés, die zijn bedoeld voor vier personen maar die in sommige gevallen wel door zeven mensen worden gedeeld, hangt een geur die al binnen een kwartier hoofdpijn veroorzaakt. Op tafel staan de blikjes voedsel die de Letse bewakers hebben verstrekt. December 1990, september 1992; bij alle blikjes vlees en melk is de uiterste verkoopdatum verstreken. Het drinkwater komt uit de wc en er drijven - of zwemmen - gele dingetjes in. Toen het water vorige week opraakte, kwam een brandweerauto het reservoir bijvullen, vertelt Mohammed Ghanim. Gelukkig springt het Letse Rode Kruis nu bij met water en biscuits.

Pag.5: 'Letten: criminelen in uniform'

Mohammed Ghanim is een veertig-jarige elektrotechnisch ingenieur uit Irak die bijna vlekkeloos Engels spreekt en een modieuze trui van Reebok draagt, die inmiddels onder de vlekken zit. Toen Ghanim eind november 3.500 dollar betaalde om zich naar het Westen te laten smokkelen, verwachtte hij binnen een maand in Zweden te zijn. Door Koerdische smokkelaars werd hij naar Turkije gebracht. Vanuit Turkije ging het per boot naar een land waarvan hij vermoedt dat Rusland of de Oekraïne was. Over de route deden de gidsen van zijn groepje - hijzelf, zijn neef en diens vrouw en vier kinderen - namelijk geen mededelingen. Ze reisden in goederentreinen en in bussen met geblindeerde ramen. Drie weken brachten ze door in een verlaten huisje ergens in een bos, waar steeds meer lotgenoten werden verzameld.

Op 24 december, toen er meer dan honderd mensen uit vooral Irak, Iran en Afghanistan bijeen waren gebracht, werd de groep op een vissersboot gezet. Terwijl hij vertelt haalt Ghanim een Polaroid-foto tevoorschijn waarop te zien is hoe ze met z'n allen op de kleine schuit opeengeperst zaten. “Eerst ging het goed. Maar toen werd het weer steeds slechter. We werden door elkaar geschud en iedereen - mannen, vrouwen en kinderen - moest overgeven. Na vijftien uur varen liepen we aan de grond. We vuurden noodsignalen af, staken dekens en tijdschriften in brand om aandacht te trekken. Het duurde uren voordat er redding kwam. Maar we waren tenminste in Zweden. Dachten we. Het bleek Estland te zijn.”

De Estse kustwacht bracht de drenkelingen naar de Letse hoofdstad Riga, omdat de vissersboot daar geregistreerd stond. Daar werden de vluchtelingen 45 dagen opgesloten in militaire barakken waarna zij, zo vertelt Ghanim, ineens werden vrijgelaten met de mededeling dat zij binnen een week het land moesten verlaten. Waarheen? De groep slaagde erin opnieuw contact te krijgen met de mensen-smokkelaars en werd opnieuw verstopt in huizen in de bossen. Op 21 maart kwamen de asielzoekers tevoorschijn om een nieuwe poging te wagen vanuit Riga naar Zweden te varen. Deze keer werden zij al voordat ze aan boord waren door de politie opgepakt.

Volgens Ghanim - en de aanwezigen in de coupé knikken instemmend als hij vertelt - was de politie deze keer minder vriendelijk. De vluchtelingen zouden zijn geschopt en geslagen, hun kostbaarheden zouden zijn geroofd en nog dezelfde avond zouden zij in het holst van de nacht met vrachtauto's naar de grens met Wit-Rusland zijn gebracht. Hollen, luidde het bevel. De grenswachten aan de Witrussische kant wisten hen in de loop van de volgende dag allemaal te vinden. En zo werden ze weer teruggestuurd. Op 23 maart zetten de Letten hen op de trein naar Petersburg en begon het ping-pong dat na de protesten van de UNHCR vandaag of morgen zal eindigen in de gevangenis.

“De Letten zijn criminelen in uniform, ze hebben zelfs het speelgoed van de kinderen afgepakt”, zegt Ghanim, die tegen het einde van zijn relaas emotioneel is geworden. Nadat hij even een sigaret heeft gerookt, onderstreept de ingenieur dat hij politiek vluchteling is en in Zweden familie heeft. “Ik kom niet om het geld. Hier, kijk maar hoe ik in Irak woonde”, zegt hij terwijl hij een tweede Polaroid-foto tevoorschijn haalt. Er is een leren bankstel te zien met daarop Ghanim, maar dan zonder baard en grijze haren. In precies die woonkamer had de politie gestaan om hem op te halen nadat hij voor de zoveelste keer had geweigerd lid te worden van Saddam Husseins Ba'ath-partij, vertelt hij. Toevallig was hij die avond niet thuis, maar hij had het wel als sein opgevat om te vertrekken.

UNHCR-vertegenwoordigers hebben deze week na een bezoek aan de treinwagons gezegd dat driekwart van vluchtelingen in aanmerking zou kunnen komen voor politiek asiel. Niemand laat hen echter het verhaal vertellen dat tot die status zou kunnen leiden. Noch Rusland noch Letland heeft de gewoonte met asielzoekers een vraaggesprek te voeren. Zweden, dat in september ook al een boot met vluchtelingen te verwerken kreeg, heeft formeel niets met de zaak te maken. Ten einde raad besluit Ghanin, gebruik makend van het zeldzame bezoek, een brief op te stellen aan de Koningin van Holland.