What is your good name, sir? Het Engels van de Indiase apartheid

De taal van de kolonisator van toen is nog steeds de taal van de macht van nu in India. Wie Engels spreekt, maakt carrière, wordt bij het loket het eerst geholpen en verdient meer geld. Maar de tegenbeweging is op gang. Vooral redelijk opgeleide mensen uit de lagere kasten krijgen een steeds grotere hekel aan het Engels.

Raunak, een vrolijk Indiaas jongetje van negen, maakte zich onlangs te schande op school. In een moment van onoplettendheid waren er een paar woorden in zijn moedertaal, het Hindi, aan zijn lippen ontsnapt in plaats van het Engels, de voertaal op zijn school. Voor straf werd zijn naam prompt op het schoolbord gekalkt. Zijn moeder, een voor Indiase begrippen welgestelde vrouw, was over het voorval geenszins verbaasd: “Toen ik op school ging, moesten we zelfs een kleine boete betalen, wanneer we in het Hindi met elkaar praatten.”

De Indiase bovenlaag, en iedereen die daar graag bij wil horen, pompt zijn zonen en dochters al vanaf de peutertijd vol met Engels. Niet als communicatie-middel met de rest van de wereld maar voor gebruik in eigen land. Elke ouder in India weet dat iemand die vloeiend Engels spreekt een hogere status geniet en oneindig veel betere carrière-perspectieven heeft dan zij die dat niet kunnen. Het Engels is in India een kwestie van 'to be or not to be'.

Bijna vijftig jaar na het vertrek van de Britse koloniale heersers blijft de positie van het Engels op het subcontinent onaantastbaar. “Het is een symbool van macht en het verschaft je toegang”, zegt D.L. Sheth, die als onderzoeker is verbonden aan het Centre for the Study of Developing Societies in New Delhi. “Waarom spreken twee Indiërs Engels met elkaar in plaats van hun moedertaal? Dat doen ze niet omdat ze elkaar anders niet begrijpen”, aldus Sheth. “Maar daarmee zeg je iets over je plaats in de samenleving.” Het Hindi en andere talen zijn er slechts voor thuis of onder vrienden.

Voor wie goed Engels spreekt gaan in India letterlijk deuren open, die voor anderen gesloten blijven. Elke dag herhaalt zich in duizenden kantoren hetzelfde tafereel. Een functionaris zit verveeld achter een bureau. Voor hem, of, als hij een hogere plaats in de pikorde inneemt, buiten in een wachtkamer bevindt zich een rij smekelingen. Vaak zitten ze daar al uren gelaten te wachten op een onderhoud. Een enkeling die de euvele moed heeft in het Hindi of een andere Indiase taal aan te dringen op spoed, kan een grauw krijgen.

Dan verschijnt er plotseling een heer of dame ten tonele, die in vlekkeloos Engels en een tikkeltje uit de hoogte het woord richt tot de functionaris of diens ondergeschikten. Als bij toverslag verandert de norse uitdrukking op het ambtenarengelaat in een welwillende glimlach. Hoe deftiger het Engelse accent, hoe toeschietelijker de functionaris. De bezoeker hoeft niet op zijn beurt te wachten. “Gaat u zitten, meneer”, klinkt het uitnodigend in het Engels. “Wilt u misschien een kopje thee? Wat kan ik voor u betekenen?”

Stil en met nauw verholen afgunst observeren de andere wachtenden voor de zoveelste keer de macht van het Engels in hun land. Ze beseffen dat ze door zo'n koloniaal aandoende reflex van een bureaucraat worden buitengesloten en in eigen land zijn gedegradeerd tot burgers van de tweede garnituur.

In feite zijn ze het slachtoffer van een soort 'apartheid', niet op basis van raskenmerken maar op grond van taal. Een elite van nog geen vijf procent van de bevolking, die het Engels vloeiend beheerst en graag opereert op basis van de formule 'ouwe-jongens-krentebrood', legt zo de natie zijn wil op.

Aristocratie

Taal heeft, naast factoren als kaste, religie en huidskleur, wel vaker als een instrument voor 'apartheid' gediend in de lange Indiase geschiedenis. Een paar duizend jaar geleden gebruikten de hoogste kasten het Sanskriet net zo. Alleen zíj genoten het recht de taal te bestuderen en te gebruiken. Eeuwen later, toen het Sanskriet een dode taal was geworden, schakelde de elite over op het Perzisch om hun superioriteit aan de massa's te tonen. Louter Indiaas is het fenomeen overigens allerminst. Ook in Europa vervulde het Frans, van Nederland tot Rusland, immers lange tijd, die rol voor de aristocratie.

Het belang van het Engels wordt de Indiërs ook op de arbeidsmarkt genadeloos onder de neus gewreven. Bij de iets aantrekkelijker banen luidt de eerste vraag onherroepelijk: hoe is uw Engels? Is dat matig, dan dalen de kansen van de kandidaat ongeacht zijn verdere kwalificaties terstond tot het nulpunt. “Een studente van mij met voortreffelijke studie-resultaten kon laatst nauwelijks een baan vinden omdat ze vroeger naar Hindi-talige scholen was geweest”, vertelt een hoogleraar pedagogiek aan de universiteit in New Delhi.

De reclame-wereld, die altijd een scherpe neus heeft voor de sociale verhoudingen, richt vooral in de grote steden zijn pijlen eveneens bij voorkeur in het Engels op zijn doelwit. Weliswaar kan ruim negentiende van de mensen op straat de reclameborden in het Engels niet lezen, maar het is de firma's ook volstrekt niet om de massa's begonnen. Ze zijn er slechts op uit zoveel mogelijk mensen met geld te bereiken. Bijna alle rijken spreken goed Engels en worden daarin bovendien graag aangesproken.

Veelzeggend is dat de Engelstalige media, die een aanmerkelijk geringer bereik hebben dan de media in het Hindi en andere Indiase talen, kunnen rekenen op liefst 57 procent van de totale advertentie-inkomsten. De adverteerders weten waar Abraham de mosterd haalt: de lezers en kijkers van de Engelstalige media zijn veel koopkrachtiger dan de rest. Een goede journalist werkt ook veel liever bij een Engelstalige krant, want daar vangt hij meer loon.

Zelfs de acteurs en de makers van de vermaarde Hindi-films uit Bombay, die met hun suikerzoete produkties vol zang en romantiek steeds weer tientallen miljoenen Indiërs in extase brengen, 'verraden' tijdens de jaarlijkse prijsuitreikingen steevast de taal die hen faam heeft gebracht. De toespraken worden allemaal in het Engels gehouden. Zo gaat het meestal ook op feestjes. “Iemand die op een party alleen maar Hindi blijkt te kunnen spreken, staat voor schut”, zegt een software-ingenieur in de hoofdstad New Delhi.

Anglofielen

Wie iets gewichtigs heeft te vieren in India, doet dat in het Engels. Dat begon al bij de onafhankelijkheid. Jawaharlal Nehru, de eerste premier, hield zijn grote rede bij die gelegenheid niet in een Indiase taal maar in het Engels “Er komt een ogenblik”, verklaarde de in Harrow en Cambridge opgeleide Nehru plechtig, “dat zich maar zelden voor doet in de geschiedenis, wanneer we het oude achter ons laten voor het nieuwe, wanneer een tijdperk ten einde loopt en wanneer de ziel van een land na lang te zijn onderdrukt zich vrij kan uiten.”

De onafhankelijkheid bracht inderdaad allemachtig veel nieuws voor India maar de positie van het Engels als lingua franca van de elite bleef onaangetast. Tekenend was dat de constitutie geruime tijd alleen in het Engels beschikbaar was. De rechtspraak geschiedt zelfs nu nog grotendeels in het Engels. Dat alles zeer tot genoegen van Anglofielen als de in Oxford woonachtige Indiase schrijver Nirad Chaudhuri, die eens schreef: “Alles wat goed was en in ons leefde werd gemaakt, gevormd en bespoedigd door hetzelfde Britse gezag.”

Op de staatsscholen, waar het leeuwedeel van de Indiase kinderen naar toe ging (voor zover ze geen kinderarbeid verrichtten), kregen de leerlingen echter, net als in de Britse tijd, pas in een later stadium Engels. De voertaal was het Hindi of een andere Indiase taal, afhankelijk van de betreffende streek. Op de meeste particuliere scholen daarentegen was het Engels vanaf de eerste dag de voertaal. Daardoor kregen zij de taal veel beter onder de knie dan hun leeftijdgenoten op de staatsscholen, waar het onderwijs hoe dan ook van een meestal bedroevend niveau was (en is). Die achterstand haalden de meesten van de 'staatsscholieren' nooit meer in.

Decennia lang gingen zo alle goede banen in de politiek, de bureaucratie, de strijdkrachten, de zakenwereld en de vrije beroepen naar de zonen en, in veel mindere mate, de dochters van de oude 'Nehru-elite'. Overal in het land maakten zij de dienst uit met hun op deftige scholen geleerde Engels. Tot op de dag van vandaag is dat zo gebleven. Maar de laatste jaren borrelen er vanuit de honderden miljoenen mensen omvattende onderbuik van India wel steeds hoorbaarder geluiden van ongenoegen naar boven over de rol van het Engels.

Vooral mensen uit lagere kasten die een redelijke opleiding hebben gehad maar, door een late start, niet zo vloeiend zijn in het Engels als fortuinlijker generatiegenoten, hebben een hartgrondige hekel aan de Engelse suprematie. In de deelstaten hebben deze critici de laatste jaren sterk aan invloed gewonnen, hoewel in de grootste steden - Bombay, Calcutta en New Delhi - de Engelstalige elite nog altijd oppermachtig is. Angrezi hatao! (Weg met het Engels), luidt hun strijdkreet.

Onderdrukking

De anti-Engelse geluiden maken deel uit van de emancipatie van de lagere kasten en de kastelozen. Heel geleidelijk sijpelt het besef tot hen door dat ze, indien ze de rijen sluiten, dank zij hun numerieke overwicht de Indiase politiek kunnen domineren. In verscheidene deelstaten, in het bijzonder in Noord-India, hebben ze inmiddels de macht veroverd. En waar dat nog niet is gebeurd, zijn ze er meestal wel in geslaagd via quota voor banen bij de overheid en plaatsen op de universiteit hun positie te versterken.

Met steeds meer zelfvertrouwen laten ze van zich horen. Een van hun voornaamste pleitbezorgers is al jaren Mulayam Singh Yadav, de minister- president van India's volkrijkste deelstaat, Uttar Pradesh (ruim 150 miljoen inwoners). Deze aalgladde politicus staat aan het hoofd van een linkse coalitie, die vooral aanhang geniet onder de lagere kasten en kastelozen.

Het Engels, zo oreerde Mulayam vorig jaar, is een “instrument van onderdrukking”. Volgens hem is 95 procent van de banen op administratief, economisch, sociaal en politiek terrein in handen van mensen die goed Engels spreken. Hij stelt het Engels voor als een onwelkom overblijfsel van de koloniale tijd, dat hoognodig weg moet. Onder verwijzing naar het succes van China en Japan voorspelde Mulayam dat India geen kans had dat te evenaren wanneer het zijn moedertaal niet serieuzer nam. Ook anderen hebben betoogd dat het Engels in India eerder een obstakel voor de ontwikkeling van het land is dan een hulpmiddel. De minister-president van Uttar Pradesh is een vurig voorstander van onderwijs in het Hindi en een verregaande beteugeling van het onderwijs in het Engels.

Hij opperde verder dat de functionarissen van de deelstaten niet langer in het Engels met elkaar zouden communiceren maar in hun eigen taal, daarbij geassisteerd door tolken. Maar in Zuid-India wil men niets van dergelijke nieuwlichterij weten. Toen Mulayam onlangs, enigszins provocerend, een brief in het Hindi naar een zuidelijke deelstaat stuurde, keerde die per ommegaande terug met het gepikeerde verzoek om een vertaling.

Mulayams geringe succes in zijn strijd tegen het Engels tot nu toe heeft alles te maken met de reusachtige taalverscheidenheid in India. Met zijn ruim 900 miljoen inwoners is het land een paradijs voor filologen, waarbij de toren van Babel verbleekt. In totaal worden er niet minder dan 105 afzonderlijke talen gesproken, al zijn sommige daarvan heel klein. Er worden radio-uitzendingen verzorgd in 104 talen en kranten uitgegeven in 35 talen, terwijl de nationale academie voor letterkunde 22 talen erkent. Op de bankbiljetten staat in vijftien talen vermeld hoeveel ze waard zijn. Onderwijs wordt er in 67 verschillende talen gegeven.

Het zuiden is al lange tijd bevreesd voor een verdere opmars van het Hindi, dat vooral via films en andere media ook in het zuiden steeds meer mensen bereikt. De bedreiging door het Hindi is overigens maar betrekkelijk. Hoewel het veruit de grootste taal is van India, wordt het toch maar door ruim veertig procent van de bevolking gesproken.

De talen in Tamil Nadu en andere zuidelijke deelstaten, behorend tot de zogeheten Dravidische talenfamilie, zijn van een heel andere oorsprong dan het Hindi en andere Noordindiase talen, die van Indo-Arische afstamming zijn. De minder talrijke zuiderlingen, die toch al sceptisch staan tegenover de centrale regering in het verre New Delhi, hechten erg aan hun identiteit en zijn allergisch voor pogingen van het noorden de rol van het in hun ogen veel ongevaarlijker Engels terug te dringen.

“Meer dan wat ook zijn het de weerstanden in het zuiden die de rol van het Engels garanderen”, aldus de sociale wetenschapper D.L. Sheth. De Engelstalige elite in de grote steden hoeft zo haast geen vin te verroeren om de positie van het Engels te handhaven.

Kappers

Intussen blijft het een bittere noodzaak voor iedereen die vooruit wil in India om Engels te leren. Steeds talrijker worden de 'English Medium Schools', de particuliere scholen waar het Engels als voertaal dient. Ook veel ouders van de lagere middenklasse liggen krom om een Engelstalige opleiding voor hun kinderen te bekostigen. Door de gebrekkige kwaliteit van veel van deze scholen staat zo'n opleiding overigens allerminst garant voor een mooie loopbaan.

Ook sommige kappers, groentemannen en andere 'kleine luiden' sturen tegenwoordig hun kinderen naar zulke privé-scholen, meldde het dagblad The Pioneer onlangs. Een groenteman vergeleek trots de kinderen van zijn broer in de arme deelstaat Bihar, die niet eens naar school gingen, met zijn eigen kroost: “Mijn kinderen gaan naar een Engelstalige school, spreken met keurige dames en dragen nette kleren.” Zelfs in de jhuggi's, de sloppen van de grote steden, zijn hier en daar, al dan niet door toedoen van hulporganisaties, Engelstalige schooltjes verrezen.

Deze mensen hebben allemaal geen boodschap aan de woorden van Mulayam Singh Yadav en de zijnen, die trouwens dikwijls hun eigen kinderen ook stiekem naar Engelstalige scholen sturen, als het even kan zelfs in het buitenland. De laatste tijd heeft de vraag naar Engels nieuw impulsen gekregen dank zij de toenemende integratie van India met de rest van de wereld. Doordat steeds meer buitenlandse firma's zich in India vestigen en de handel met het buitenland toeneemt, bestaat ook aan dat front meer behoefte aan Engelssprekende arbeidskrachten.

De buitenlanders kijken daarbij dikwijls verwonderd op van het ouderwetse Engels dat in India wordt gehanteerd. “What is your good name, Sir”, hoort men vaak vragen. In plaats van 'sexual harassment' spreken de Indiërs van 'Eve-teasing'. Daarnaast vermengen ze hun Engels met lokale woorden als bandh (staking), dacoit (bandiet), lakh (100.000) en crore (tien miljoen). Bij hun conversatie hebben ze de neiging enkele zinnen Engels te laten volgen door een beetje Hindi of een andere taal. Zoals op veel terreinen valt er ook in taalkundig opzicht voor buitenstaanders moeilijk vat te krijgen op India.

Hoe vervelend Mulayam Singh Yadav en de zijnen dat ook vinden, het Engels zal in de afzienbare toekomst alleen maar belangrijker worden in India. Het aanzien dat de taal geniet en de volstrekte onwil van het zuiden om het Engels als lingua franca op te geven staan daar borg voor. Bovendien komt de taal steeds meer van pas in de contacten met de rest van de wereld.

Een schrale troost voor de Hindi-liefhebbers is intussen dat ook dat, parallel aan het Engels, een steeds prominentere plaats zal innemen in de Indiase samenleving. Een groeiend aantal mensen van buiten de eigenlijke Hindi-zone leert de taal. Verder worden de in het Hindi opgeleiden steeds mondiger en hun zelfvertrouwen groeit. Voor hun dikwijls povere Engels generen ze zich niet meer. Voor sommigen is het zelfs een deugd geworden. They couldn't care less.