Waardige praal

PAUL KNEVEL: Burgers in het geweer. De schutterijen in Holland 1550-1700

420 blz., geïll., Verloren 1994, ƒ 45.-

In 1559 maakte een anonieme schilder een groepsportret van een rot Amsterdamse kloveniers, schutters bewapend met een vuurroer. Het is geen doek dat veel moderne toeschouwers in vervoering zal brengen. De zeventien uniform uitgedoste schutters staan er met hun nadrukkelijk uitgestalde attributen plichtmatig bij, en hun houterige koppen - netjes verdeeld over twee horizontale rijen - staren ons wezenloos aan. Nee, dan het levendige groepsportret dat Cornelis Ketel amper dertig jaar later maakte van de compagnie van kapitein Dirck Jacobsz. Rosencrans! Zijn schuttersofficieren staan zwierig ten voeten uit geschilderd in krijgshaftige en toch elegante posen, compleet met de losjes geplooide ledematen die de kenner direct als 'speelbenen' en 'renaissance-ellebogen' kan benoemen. Karel van Mander prees het werk dan ook uitbundig in zijn Schilder-boeck van 1604 als “seer heerlijk gheschildert, en cierlijck om aansien”.

Er moet wel het een en ander voorgevallen zijn in de korte tijd die deze totaal verschillende schuttersstukken scheidt: in de schilderkunst, in de geschiedenis van Amsterdam en omstreken, en in die van de stedelijke schutterijen in deze streek. En inderdaad, de schutters van de anonymus uit 1559, aan de vooravond van de Nederlandse Opstand, zijn nog typische representanten van de middeleeuwse schuttersgilden. Het zijn wapenbroeders, en hun groepsportret benadrukt hun band van saamhorigheid en onderlinge gelijkheid.

Dergelijke wapenbroederschappen bestonden in Holland toen al zo'n twee eeuwen. De schuttersgilden zijn ontstaan in de 14de eeuw, als een uitvloeisel van de militaire omwenteling die ridderlegers steeds vaker deed wijken voor burger-infanteristen. Deze militante poorters verenigden zich in broederschappen om zich te bekwamen in de omgang met hand- en voetboog, later ook met vuurwapens. Ook in de Hollandse steden ontstonden zo de talrijke Sint-Joris-, Sint-Sebastiaan- en Kloveniersgilden. Die ontwikkelden een eigen kleurrijke cultuur, en ook een soort ideologie: ze zagen zich als de behoeders van een harmonische gemeenschap, en van de stedelijk-republikeinse idealen waarop die gemeenschap hoorde te berusten: sociale vrede, gerechtigheid en veiligheid. Die verheven opvatting van hun taak is de schuttersgilden en burgervendels in de loop van de eeuwen min of meer bijgebleven.

Natuurlijk was er vaak genoeg spanning tussen deze mooie idealen en een harde werkelijkheid waarin eendracht en harmonie ver te zoeken waren. Meer dan ooit deed die spanning zich voelen in de jaren van de Opstand, toen de Hollandse schutters vroeg of laat partij moesten kiezen tussen het wettig gezag van koning Filips en de opstandelingen achter Willem van Oranje. De meeste schutters hoorden, zoals zoveel van hun medeburgers, bij de 'middengroep' van gematigden; ze waren niet protestants, maar wars van kettervervolgingen; niet tegen het landsheerlijke gezag, maar afkerig van de bemoeizucht van de centrale overheid en haar inbreuken op de stedelijke autonomie. Voor het verloop van de Opstand in de Hollandse steden was de houding van de schutterijen dikwijls doorslaggevend, al was het maar omdat ze zich op kritieke momenten afzijdig hielden. Schieten op fatsoenlijke medeburgers deden ze toch al niet graag: dat was strijdig met het ideaal van een harmonische stedelijke samenleving. Zo hebben ze in die dramatische tijd een rol kunnen spelen, waar ze in latere episoden met trots aan konden refereren.

Nachtwachten

Dat was ook wel eens nodig, want diezelfde gevaarvolle tijd bracht de hervorming van de schuttersgilden en de radicale gedaanteverandering die zo treffend wordt geïllustreerd door de twee in de aanhef vermelde schuttersstukken. Om de oude wapenbroedersrotten beter toe te rusten voor de eisen van de moderne oorlogvoering, en om hen in tijden van crisis beter onder controle van de stadsbesturen te houden, werden de schuttersgilden op initiatief van Willem van Oranje en op last van de Staten van Holland omgevormd tot 'burgerwachten'. In de plaats van de gezellige broederschappen kwamen straffe organisaties in rotten, kwartieren, vendels en afdelingen, geleid door strikt hiërarchische kaders, van rotmeesters en korporaals tot kapiteins en kolonels. In die gemilitariseerde opzet paste een vrij scherpe scheidslijn tussen gewone schutters en onderofficieren aan de ene, en de hoofdofficieren (nauw gelieerd aan het stadsbestuur) aan de andere kant. Het zijn die heren, met hun uitbundig vertoon van praal en waardigheid, die we tegenkomen op de grote schuttersstukken uit de Gouden Eeuw.

De eenvoudige schutters figureren op die doeken niet meer, maar sinds kort beschikken we gelukkig over een andersoortig groepsportret waarop ook deze bijna vergeten groep in het juiste licht wordt gesteld, namelijk de imposante studie Burgers in het geweer, waarop de Amsterdamse historicus Paul Knevel eind vorig jaar promoveerde. Naast heel veel meer wetenswaardigs, vernemen we uit zijn boek dat de gewone schutters niet de geringsten onder de stedelingen waren. In beginsel waren alle ingezetenen dienstplichtig, maar in werkelijkheid was maar een kleine minderheid van zo'n 12 procent voor de dienst in de burgervendels gekwalificeerd.

Alle vreemdelingen (niet-burgers), en de grote massa van bezitslozen waren dat niet. De modale schutter was een achtenswaardig, maar ongefortuneerd lid van de middenklasse: niet rijk maar ook niet arm, want hij moest wel zijn eigen bewapening bekostigen. Lidmaat van de officiële gereformeerde kerk hoefde hij niet te zijn; ook katholieken, lutheranen en andere dissenters werden geïncorporeerd. Die inlijving ging vaak met tegenzin, want dienst in de vendels bracht behalve kosten ook onplezierige verplichtingen met zich mee, met name in de vorm van de vervelende nachtwachten. Dan sprong onze schutter nog wel eens uit de band, want een brave jongen was hij niet altijd. Uit de beschrijving van het dagelijks en nachtelijk schuttersleven walmt de geur van drankmisbruik, met alle ruzie en baldadigheden vandien.

Tegelijkertijd waren diezelfde schutters zich zeer wel bewust van hun verantwoordelijkheden en hun waardigheid. Net als hun middeleeuwse voorgangers beschouwden ze zichzelf (en werden ze beschouwd) als de kern van de vrije burgerij: niet voor niets werd 'burgerij' wel als synoniem gebruikt voor schutterij, en niet voor niets was ontschuttering (ontslag uit de burgerwacht) een zware straf, die in feite op verlies van eer neerkwam. Hun taken waren dan ook niet gering.

Vechtjassen

Bij de verdediging van de stad werden zij bijgestaan door professionele vechtjassen, maar de handhaving van de openbare orde kwam toch voornamelijk op hun neer, bij gebrek aan andere politiële formaties. In normale tijden waren ze goed op die taak berekend. Tegen plunderingen en andere wanordelijkheden van het 'gemeen' werd doorgaans kordaat opgetreden. Maar bij politieke of religieuze conflicten werd de positie van de schutters moeilijker, en niet zelden kwamen ze dan tegenover het stadsbestuur te staan. Tijdens ernstige politieke crises kon het dan zelfs komen tot regelrechte schuttersoproeren.

De rebelse schutters bedienden zich dan van een vast actierepertoire van demonstratieve samenkomsten in de schuttersdoelen, rekesten aan de magistraat, bezetting van de poorten en marsen op het stadhuis. Een en ander werd doorgaans begeleid door een stroom van pamfletten, waaruit ook de wazige contouren van een eigen burgerlijk-republikeinse ideologie zichtbaar worden. Steevast roepen de schutters om meer politieke zeggenschap, eventueel via het instrument van een 'vrije krijgsraad', en klagen zij het oligarchisch machtsmisbruik van de stedelijke regenten aan. Soms wordt wel, net als in de jaren van de Opstand, verwezen naar een soort contractstheorie en een beroep gedaan op het recht van verzet, en een enkele keer worden concrete institutionele hervormingen geëist. Een democratisch programma hadden de schutters niet: het 'gemeen' en alle 'vreemdelingen' wilden ze absoluut buiten de regering houden.

Veel resultaat hebben die oproeren niet gehad. De schutters pretendeerden wel te spreken namens de burgerij, maar in werkelijkheid was die net zo verdeeld als zij zelf waren. In het beste geval werden er wat bestuurders vervangen, en daar bleef het dan bij. Toch gaat het niet aan om de schuttersoproeren af te doen als onbeduidende bijverschijnselen van de in alle Hollandse steden endemische strijd tussen verschillende oligarchenfacties. Veeleer moeten ze ingepast worden in het patroon van wat Knevel noemt: 'parallelle oproeren', waarbij regentenfacties en groepen uit de burgerij en het gemeen elkaar gelijktijdig, maar met verschillende motieven en in wisselende bondgenootschappen bestreden. Dat verklaart ook waarom de oproerige schutters niet zelden geleid werden door hun eigen patricische kapiteins, toch in de regel verlengstukken van het stadsbestuur.

Knevels boek is rijk aan dergelijke observaties en reflecties en verschaft daardoor verrassende inzichten in het openbare leven in Holland onder de Republiek. Er blijken nogal wat overeenkomsten te zijn in het reilen en zeilen van de schutterijen en van die Republiek waarin ze als 'kracht en zenuwen' van de autonome steden hun rol speelden. Net als die van de Republiek is de geschiedenis van de schutterijen een optelsom van lokale geschiedenissen, waarin allerlei subtiele lokale specialiteiten moeten worden gesavoureerd. In beide geschiedenissen zindert de spanning tussen verheven voorstellingen en idealen, en een hardnekkige praktijk van geknoei en 'morserijen', van pappen en nathouden. Ook in de verhalen van opkomst en verval zijn parallelle lijnen te zien. Knevel toont overtuigend aan, dat de schutterijen niet, zoals vroeger werd beweerd, na 1650 in een proces van rechtlijnig verval zijn geraakt, maar in hun hele bestaan wisselende perioden van inzinking en opleving hebben gekend. Zoiets kan over de Republiek, mutatis mutandis, ook wel worden volgehouden.