Vlaams is geen taal en moet dus uit het Groene Boekje

Vlaams is geen taal: er bestaan alleen West- en Oostvlaamse dialecten, zoals er Noord- en Zuidhollandse zijn. Taalkundigen huiveren als ze een leek horen praten van de Hollandse of de Vlaamse taal. Mensen binnen ons taalgebied spreken maar een taal (een Algemeen Beschaafd) en dat is Nederlands of beter nog: ABN.

Van dat ABN geeft het Groene Boekje de spelling, maar wie het goed kent vindt daarin toch een aantal uitzonderingen: goesting (trek, zin), koeken (ruiten), pijken (schoppen), terminus (eindpunt), enzovoorts. Dat zijn Zuidnederlandse dialectwoorden, en die horen er evenmin in thuis als bijvoorbeeld het Zuidhollandse gosiemekul (Piet Snot), het Zeeuwse kallekienders (kinderhoofdjes), het Westvlaamse wuvers (wijven) of het Oostbrabantse ulliën (smeren).

Vanwaar die ongelijke behandeling? In 1954 vonden de Zuidnederlandse (Vlaamse) leden van de Spellingscommissie dat het ABN wel de cultuurtaal voor Vlaanderen moest zijn, maar met uitzondering van een klein aantal dialectwoorden met een grote spreiding. Dat was een emotionele houding: om te beginnen hadden ze niet onderzocht of de op te nemen woorden wel algemeen waren binnen België, en verder hadden ze selle (zadel), velo (fiets), interrupteur (schakelaar), syndic (huismeester), enzovoorts niet opgenomen, ondanks hun algemene verspreiding in Vlaanderen. De reden was: het waren leenwoorden uit het Frans.

Terwijl de Engelsen, de Duitsers en vooral de Fransen een rijk ontwikkelde taal- en cultuurpolitiek hebben (British Counsel, Goethe-Gesellschaft en Alliance Française) is de Nederlandse nog maar nauwelijks op dreef gekomen. Er is een hoog te prijzen Taalunie, maar als er een mooie presentatie van het Nederlandse boek moet komen op de Frankfortse Boekenbeurs, dan moet de minister met de pet rondgaan.

Wie enig taalpolitiek instinct heeft, begrijpt dat buitenlanders die Nederlands willen leren, niet gesteld zijn op dialect - niet uit de mond van hun leraar en niet in het Groene Boekje. Welke Nederlander of Vlaming zou er Franse les willen hebben van een Luikenaar die 10 procent Luiks door z'n ABFrans doet?

Een totaal andere zaak zijn de officiële Belgische termen in het Groene Boekje: rijkswacht en marechaussee, brugpensioen en VUT, vrederechter en kantonrechter staan natuurlijk op voet van gelijkheid. In de Grote Van Dale vind je terecht achter goesting, terminus enz. '(gew.)', dat wil zeggen 'gewestelijk', oftewel dialectisch, en achter rijkswacht, brugpensioen enz. '(in Belg.)'. Al zijn sommige van die Belgische termen domme, letterlijke vertalingen van Franse (juge de paix bijvoorbeeld), het is niet de taak van de Woordenlijst suggesties tot verbetering te doen.

Het ABN is in hoofdzaak in Amsterdam ontstaan na 1600, en heeft zich vandaar verspreid over de rest van het Nederlandse taalgebied. Binnen de Nederlandse staat ontmoette het weinig problemen: via Groningse, Zeeuwse, Hollandse en Brabantse tussentaaltjes burgerde het overal in. Sporen daarvan zijn er nog volop: Hollands daar legt het, Brabants komde gullie of Gronings waar kom jij weg.

In Vlaanderen verspreidt het ABN zich op precies dezelfde manier: ook hier verschijnen duizenden tussentaaltjes tussen dialect en ABN. De een zegt deze namiddag voor 'vanmiddag', de ander gebruikt al de ABN-term. De een heeft de volgorde om het kunnen te doen, de ander die van het ABN. De tussentaal van sommige wielrenners of boeren is niet eens verstaanbaar en moet ondertiteld worden, maar dat geldt ook voor sommige noordelijke dialectsprekers.

Het invoeringsproces van het ABN in Vlaanderen is in het algemeen het verst gevorderd in Limburg en in Oost-Vlaanderen. Antwerps chauvinisme vertraagt de ABN-beheersing in die stad aanzienlijk, en de provincie West-Vlaanderen is het hinkende paard.

Het spreekt vanzelf dat die vertraagde ABN-invoering voor de dialectkundige even plezierig is als taalpolitiek funest. Bekend is de uitspraak van de Waal die goed Nederlands geleerd had, maar die - vijftig jaar geleden - bijna nergens in Vlaanderen verstaan werd. Hij zei: 'Welk van uw dialecten wilt u dat ik spreek?'

VVD-voorman Bolkestein constateerde onlangs heel terecht randstadarrogantie ten opzichte van Limburg. Maar ten opzichte van Vlaanderen is die nog een stuk erger. Veel Hollanders - ook beleidmakers - weigeren te erkennen dat de Vlamingen Nederlands spreken en dat hun cultuur een stuk van de onze is. Die emotionele afweer is een gaaf bewaard stukje traditie uit de 16e en 17e eeuw toen Noord en Zuid tegenover mekaar stonden als fundamentalistisch calvinistisch en rooms. Taalkundig berust die op niks, taalpolitiek is het een flater, maar 'Wij zijn beter' (het Hollandse standpunt) heeft blijkbaar een taai leven.

Zolang Hollanders weigeren om op dit punt het spreekverbod voor hun verstand op te heffen, zal de opvatting blijven bestaan dat Vlaams een taal is. In de herdruk van het Groene Boekje zullen de dialectwoorden dan ook moeten verdwijnen, anders blijft het monsterverbond van Hollands en Vlaams particularisme de Nederlandse eenheid tegenwerken. De bescherming van het Nederlands - taal van 21 miljoen mensen - in het eenwordende Europa eist een cultureel Deltaplan.