Spook van de opera

Victor van Vriesland was een bohémien die in zijn journalistieke bestaan van de krant geen enkele hinder ondervond bij de voortzetting van zijn ongeregelde levenswijze. Toen hij zich als letteren redacteur aan de Nieuwe Rotterdamsche Courant verbond en hij niet uit Amsterdam wilde verhuizen, ruimde de directeur van de onderneming, H. Nijgh, persoonlijk een vertrek op de krant voor hem in, zodat hij door de week op de krant kon slapen. Het meubilair bestond uit niet meer dan een bed en een wastafel met een lampetkan, maar dat was voor de arme dichter geen enkel bezwaar. Van Vriesland woonde in feite op de krant en dwaalde 's nachts in een lange, witte shantoeng jas over de redactiegangen en de zetterij, om te zien of de stukken waar hij verantwoordelijk voor was goed werden opgemaakt. Ze noemden hem 'het spook van de opera'.

Van huis uit had Van Vriesland nooit geldgebrek gekend, maar de beurscrisis van 1929 die het begin vormde van de economische crisis van de jaren dertig, had hem van zijn geld beroofd. Weliswaar had hij zijn erfdeel nooit verstandig beheerd, maar hij kon er, zoals hij aan Alfred Kossmann (die Van Vrieslands memoires optekende omdat deze daar zelf te lui voor was) vertelde, nog behoorlijk van leven. Na de beurskrach in New York was hij bij de procuratiehouder van de bank geroepen, die hem had gezegd dat hij geruïneerd was. “Ik antwoordde: 'Nu laten we dan gaan lunchen en er niet meer over spreken'. Hij zei: 'Over de schuld die u nu hebt hoeft u zich geen zorgen te maken; die kunt u in vier, vijf, zes jaar afbetalen” (Victor E. van Vriesland: Herinneringen verteld aan Alfred Kossmann, Singel 262, Amsterdam, 1969).

Zijn aan de beurs belegde vermogen was in énén keer weggevaagd en had hem van een onbezorgd letterkundige gereduceerd tot een straatarm dichter. De aanstelling bij de krant in 1931 redde hem uit zijn financiële benardheid, maar hij tobde nooit over zijn malheur. Tegen Kossmann zei hij: “Het verlies van mijn geld heeft me totaal niets gedaan”.

Dat was geen kwestie van zich groot houden, het deerde hem blijkbaar echt niet. Ook uit de herinneringen die Tonny van der Horst, zijn tweede vrouw, over hun negen huwelijksjaren heeft geschreven, komt Van Vriesland als een financieel onthecht mens tevoorschijn. De eerste jaren van de oorlog leeft hij van de hand in de tand, zijn inkomsten vergarend uit lezingen en particuliere lessen, maar ook dan hoor je hem niet klagen. Van Vriesland heeft er waarschijnlijk geen weet van hoe zijn (niet-joodse) vrouw erin slaagt het lek boven water te houden (uit inkomsten van verhalen die zij voor de kinderkrant van De Telegraaf schrijft en van betalende logés in hun huis in Bergen), maar hij heeft dan ook grotere overlevingsproblemen aan zijn hoofd dan zij.

Hij is naar Bergen uitgeweken omdat Amsterdam na de afkondiging van de anti-joodse maatregelen te riskant geworden is. In Bergen slaat niemand acht op die maatregelen en gaat het leven in winkels, cafés en op het strand zijn oude traditionele gang. Jany Roland Holst weigert met een heroïsch protest publiekelijk zich bij de Kultuurkamer aan te sluiten en andere bewoners van het dorp nemen hun hoed af als ze Van Vriesland, getooid met de jodenster op zijn jas, op straat tegenkomen. Het verhaal van Tonny van der Horst is de schets van een arcadische samenleving die mentaal ver van Amsterdam af ligt en met een eigenzinnig solidariteitsbetoon lak heeft aan de bezetting.

Maar op een dag vestigt de gevreesde SS zich toch in het dorp, uitgerekend pal tegenover het huis dat de Van Vrieslands hebben gehuurd. Uit vrees voor verraad duikt Van Vriesland onder, zoekt zijn heil toch weer in Amsterdam, van het ene adres naar het andere verhuizend, maar laat zich er tenslotte toe overhalen radicaal onder te duiken in de provincie. Van Vriesland heeft dan toegestemd in een scheiding van zijn vrouw, die bijna een kwart eeuw jonger is en intussen verliefd is geworden op een aantrekkelijke, jonge logé, met wie zij na de oorlog trouwt. Het tijdstip om Van Vriesland met die scheiding op zijn dak te vallen is niet erg subtiel gekozen, maar in dat opzicht was Van Vriesland op zijn beurt ook niet erg kieskeurig. Zijn echtgenotes vermoedden dat er altijd een andere vrouw in hun huwelijk was en hij koesterde lang het ideaal met twee vrouwen tegelijk onder één dak te leven.

Van der Horsts verhaal wint aan scherpte naarmate de afstand tussen de oudere dichter en zijn jonge vrouw groter wordt. Haar schets van zijn existentiële eenzaamheid in Zwolle is met compassie geschreven, maar zijn joodse ziel blijkt haar na negen huwelijksjaren nog betrekkelijk vreemd te zijn. Men krijgt de indruk dat het jood zijn voor Van Vriesland weinig betekende, terwijl dat juist veel voor hem hem betekende. Hij had een diepgaande belangstelling voor enkele joodse schrijvers. Zoals hij ook zionistische sympathieën had (gevoed door zijn broer in Palestina) en een fascinatie voor Jacob Israël de Haan en Carry van Bruggen. In haar boekje komen die facetten jammer genoeg niet uit de verf (Tonny van der Horst: Liefde en oorlog, 157 blz., Atlas, 1995).